zondag 17 maart 2013

De verhalen van een landschap

Tim Robinson bracht West-Ierland in kaart

Ieder landschap is verbonden met de geschiedenis van zijn bewoners. De mensen gaven namen aan de nederzettingen die ze vormden, aan de paden die hun dorpen met andere dorpen verbond, aan de rivieren en de meren, aan de plek waar hun vee graasde, aan de heuvel waar ze de galg oprichtten. Het landschap is nauw verbonden met al deze verhalen. Een schrijver en cartograaf die het op zich heeft genomen alle verhalen over het landschap uit zijn omgeving minutieus te verzamelen is de Engelse schrijver Tim Robinson (1935) die in 1972 van Londen verhuisde naar een van de Aran Eilanden aan de Ierse westkust.


Roundstone
In de eerste week van maart verbleef ik een week met een groep schrijfcursisten in Letterdyfe House in het Ierse dorpje Roundstone, in het district Connemara. Organisator van de schrijfreis en mede-schrijfdocent Henk Weltevreden had een ontmoeting gearrangeerd met Tim Robinson die sinds 1984 met zijn vrouw Mairead in een geel huis in Roundstone woont, direct aan de baai. Robinson vertelde ons over zijn werk en maakte met ons een wandeling over het eiland Inishnee in Roundstone Bay.

Aran-eilanden
Tim Robinson (1935) studeerde wiskunde in Cambridge en doceerde dit vak in Istanbul, Wenen en Londen. Toen hij in 1972 verhuisde naar de Aran-eilanden dacht hij hier de rust te vinden om een roman te schrijven. Maar in plaats van rustig aan een bureau te gaan zitten schrijven, maakte hij iedere dag lange wandelingen over het eiland. Na een paar weken vroeg de eigenaresse van het plaatselijke postkantoor hem of hij niet een kaart van het eiland kon maken. En met die vraag vond Tim Robinson zijn bestemming. Hij bracht de Aran-eilanden minutieus in kaart en ging op zoek naar de herkomst van de namen van iedere plek. De verhalen kregen een plaats in het boek ‘Stones of Aran’ dat uit twee delen bestaat: ‘Pilgrimage’(1986) en ‘Labyrinth’ (1995). Het is het Nederlands vertaald als ‘De Aran-eilanden’.
Nadat hij de Aran Islands in kaart had gebracht, verhuisde Tim Robinson naar Roundstone en ging op dezelfde manier aan de slag met Connemara en The Burren. Over Connemara schreef hij drie boeken, waarvan het eerste in het Nederlands is vertaald door Gerrit-Jan Zwier als ‘Connemara. Luisterend naar de wind’.


Mistflarden
In ‘Connemara. Luisterend naar de wind’ neemt Robinson ons mee op zijn wandelingen rondom Roundstone. Hij vertelt over de melkwei die vroeger hoog op de heuvel lag, waar het vee ’s zomers naartoe werd gebracht en waar ’s avonds werd gedanst. Hij vertelt over de plekken waar jongens en meisjes elkaar stiekem ontmoeten, hij vertelt over de graven uit de hongertijd. De informatie heeft hij verzameld door alle ouderen in de omgeving te bevragen naar de verhalen en liederen die zij weer van hun ouders hebben gehoord. Zelf schrijft hij: ‘De overleveringen over het veen die ik van mensen in Roundstone hoor, […] bestaan uit verhalen die als mistflarden over Roundstone Bog heen drijven, die zich nu eens vermengen en daardoor niet duidelijk te zien zijn, zich dan weer een poosje oplossen in de ijle lucht en dan als uit het niets weer zichtbaar worden.’

Meelopen
‘Connemara. Luisterend naar de wind’ is niet een boek dat je in één ruk uitleest. Het liefst zou je met Robinson meelopen over de oude paden rondom Roundstone en met hem meekijken en luisteren naar de verhalen. In de poëtische documentaire ‘Tim Robinson: Connemara’ die filmmaker Pat Collins met en over Robinson maakte, doen we dat en verwonderen we ons samen met hem over de sprookjesachtige schoonheid van West-Ierland.

Je zou willen dat iedere regio zijn eigen Tim Robinson heeft die geduldig het landschap verkent en alle verhalen die hier ooit zijn verteld verzamelt en ze vervolgens zorgvuldig opschrijft. Omdat, zoals Cees Nooteboom schrijft op de achterkant van het boek, ‘hij daardoor de vergankelijkheid van tenminste één plek op aarde heeft opgeheven.’

Informatie: Folding Landscapes

maandag 17 december 2012

‘Atlas Kralingen’ – wegdromen bij historische kaarten

Mijn zoon van zestien legt zijn geschiedenisboek voor me neer. ‘Kijk eens naar deze kaart’, zegt hij. Samen bestuderen we de wereldkaart van Johannes de Armsheim uit 1482. Europa is herkenbaar, evenals het Midden-Oosten. Van Afrika is alleen het noordelijke deel in kaart gebracht en Amerika en Australië bestaan nog niet. Op papier zag de wereld er toen heel anders uit dan nu.

De Oude Dijk
Oude kaarten zijn fascinerend, ik kan er niet genoeg van krijgen. En oude kaarten van mijn eigen woonomgeving zijn helemaal het summum. Daarom ben ik erg blij met ‘Atlas Kralingen, 2,5 km geschiedenis’, van de hand van de Kralinger schrijver/zanger Arie van de Krogt. Het boek is lekker groot - ongeveer hetzelfde formaat als mijn Kleine Bosatlas uit 1969 - zodat de kaarten die Van der Krogt heeft verzameld goed tot hun recht komen. Aan de hand van historische kaarten volgt Van der Krogt het veranderingsproces van Kralingen, de wijk aan de oostkant van Rotterdam waar ik nu vier jaar woon.
Op de kaart uit 1100 zien we de Oude Dijk al. Vanaf deze dijk, die nog steeds de belangrijkste doorgaande weg is van Kralingen, werd het moeras tussen de Maas en de Rotte ontgonnen. In de achttiende eeuw moet het dorp verhuizen. Het land rondom is afgegraven voor turf en de plassen maken het dorp onbereikbaar en zorgen voor een voortdurende dreiging. Kralingen schuift dichter naar Rotterdam toe en begint opnieuw op de plek waar nu de Hoflaankerk staat. Het oude kerkhof van het dorp blijft waar het is en ligt tegenwoordig midden in de nieuwbouwwijk Prinsenland.
In 1895 verliest de gemeente Kralingen haar zelfstandigheid en wordt geannexeerd door Rotterdam.

Witte plekken
Van der Krogt heeft de geschiedenis van Kralingen verdeeld in zeven periodes. Van iedere periode is een kaart van het begin en een van het einde opgenomen. Ons huis is gebouwd in 1913. Op de kaart uit 1895 waarmee het vijfde hoofdstuk begint, bestaat onze straat, de Vredehofweg, dus nog niet. De Korte Kade, hier om de hoek, heeft wel een lange geschiedenis, de straat staat al op een kaart uit 1611.
De Vredehofweg staat wel op de kaart uit 1941 waarmee het zesde hoofdstuk begint. Schuin tegenover ons huis, waar nu een school en een gymlokaal staan, is dan nog een gemeentekwekerij. Maar het meest opvallend op deze kaart zijn de grote witte plekken. De eerste bommen van 14 mei 1940 vielen op Kralingen en verwoestten bijna een kwart van de wijk. Straten verdwenen en kwamen niet meer terug. Wie nu op de Gerdesiaweg staat en zich met een kaart van voor 1940 probeert te oriënteren, zal geen aanknopingspunten vinden.

Nog aantrekkelijker
Naast prachtige historische kaarten bevat het boek vele prenten, schilderijen en foto’s en wordt ieder hoofdstuk verluchtigd met een gedicht of lied uit de betreffende periode. Het laatste hoofdstuk sluit af met het lied ‘Vlinderbuurt’ van Van der Krogt zelf. In het slothoofdstuk ‘Kom op Kralingen!’ fantaseert Van der Krogt erover hoe Kralingen nog aantrekkelijker kan worden. Hij laat zich hierbij inspireren door de geschiedenis van het gebied en door andere steden. Waarom geen molengang van acht molens langs de Gordelweg? Waarom geen Hollands landschap à la Reeuwijk bij de Gerdesiaweg? En waarom geen wandelpromenade langs de Maas, met heerlijke terrasjes zoals in Berlijn of Buenos Aires?

‘Atlas Kralingen’ is een boek om vaak door te bladeren, om steeds weer nieuwe dingen te ontdekken op de kaarten en om bij weg te dromen en te fantaseren over het Kralingen van vroeger en het Kralingen van de toekomst.

vrijdag 9 november 2012

Jan Drenthe

Vorige maand maakte ik samen met Albert Haar een interview met Jan Drenthe van het Tractor en Werktuigenmuseum in Valthermond. Het museum komt voort uit het bedrijf dat Jan Drenthe hier tot 1980 runde, samen met zijn vrouw Jo. De verhalen van Jan Drenthe zijn nu op film opgenomen. Binnenkort zal in het museum te zien zijn hoe de collectie tot stand is gekomen en waarom het zo’n mooie illustratie is van de naoorlogse ontwikkelingen in de landbouw. Tijdens het Drents Museumcongres op 19 november in Roden wordt de website www.museaindrenthe.nl gelanceerd, met daarop ook het museum van Jan Drenthe.

Smederij

Jan Drenthe werd in 1926 geboren in Ter Apel. Twee jaar later verhuisde hij naar Valthermond, waar zijn vader een kleine smederij begon. In 1939 werd Jan van school gehaald omdat hij zijn vader moest helpen: “Mijn broers mochten leren, maar ik was de handigste dunkt mij en moest mijn vader helpen.”
In 1951 verhuisde het bedrijf naar de plek waar het museum nu is. Achter het huis is een grote loods waar alle tractoren staan opgesteld. In de schuur daarnaast zit de smederij.
Jan’s vader maakte daar eenscharige ploegen, vertelt Drenthe: “Daar had hij een dag voor nodig. Hij begon ‘s ochtends om een uur of zes en was tegen de avond klaar. Over een tweescharige ploeg deed hij anderhalve dag. Mijn moeder verfde ze later op. In het begin hebben we ook nog wel paarden beslagen, maar rond 1960 was dat echt afgelopen.

Marshallhulp
Dat had alles te maken met de landbouwmechanisatie. Voor de oorlog had een boer met twintig hectare grond twee of drie arbeiders in dienst..Na de oorlog was dat al snel niet meer op te brengen doordat de lonen razendsnel stegen. Bovendien werd er in 1951 met steun van de Marshallhulp een borgstellingsfonds opgericht, als stimulans voor boeren die zelf onvoldoende middelen hadden om te investeren.
Er werden duizenden trekkers ingevoerd, het meest Amerikaanse, zegt Drenthe: “Wij kochten en verkochten onze eerste tractor in 1947.Dat was nog een heel gedoe, omdat we daarvoor een vergunning nodig hadden. Een bureauhouder, meestal een grote boer die actief was voor de gemeenschap, beoordeelde of je voor een tractor in aanmerking kwam. Zelf had hij er natuurlijk als eerste in Valthermond een. Wij gaven ons op als loonwerker en toen kregen wij er ook een, een Farmall voor 2600 gulden. We hebben die vrij snel doorverkocht. Dat mocht eigenlijk niet, maar we konden ‘m nauwelijks betalen. Het was het begin van de handel. In tien jaar tijd hadden alle boeren in Valthermond een tractor.

McCormick tractoren
“Achter die allereerste tractoren”, vervolgt hij, “kwam gewoon een paardenwerktuig. In het begin zag je zelfs dat een dat een boer achter de ploeg bleef lopen, zoals je dat ook bij een paard doet. Tractoren werden alleen gebruikt om te trekken. Pas veel later kregen tractoren ook een hydraulische hefinrichting, waardoor de werktuigen er echt aan gekoppeld konden worden.”
In Amerika was de mechanisatie al ver voor de oorlog op gang gekomen . Een grote producent als McCormick liep daardoor ook voorop in de vormgeving van de tractoren. Het bedrijf werkte samen met Raymond Loewy, een belangrijke ontwerper die ook verantwoordelijk was voor de vormgeving van de merken Coca Cola en Lucky Strike. Door Loewy werden na 1938 alle McCormicktractoren in dezelfde kleur rood geleverd.

Graan en aardappelen
In een tweede loods staan de landbouwwerktuigen opgesteld. Een van de mooiste machines is de Osbourne Reaper, een graanmaaier die al aan het einde van de negentiende eeuw in Amerika gebruikt werd. De grootste is een combine uit 1959, een van de eerste machines die het graan kon maaien en kon dorsen. Aan de zijkant is goed te zien hoe het ding in elkaar zit, wat natuurlijk levensgevaarlijk was.
Jan Drenthe: “Onvoorstelbaar dat het zo kon, zo open en bloot. Zo’n machine smeren, dat deden ze gewoon terwijl die draaide. Er zijn zoveel ongelukken mee gebeurd. Regelmatig verloren mensen hun handen of werden er vingers afgesneden.”
Verderop staan de werktuigen die gebruikt werden bij de aardappeloogst. Het zijn slimme machines die met kleine aanpassingen tijdens alle fasen van de aardappelteelt ingezet konden worden. Aardappelrooimachines hebben ervoor gezorgd dat vrouwen niet meer nodig waren op het land. Jan Drenthe: “Vroeger werkte het hele gezin op het land, op een rij, de kleinste kinderen het dichtst bij hun moeder. Dat is gelukkig afgelopen.”

Restauratie
In 1980 stopte Jan Drenthe met zijn bedrijf. Hij begon tractoren en landbouwwerktuigen te verzamelen, samen met zijn zoon Arend.
“In de vakanties deden we aardappelen en brood in de kofferbak en zo gingen we op strooptocht in Frankrijk. Daar zag je die dingen overal langs de weg staan. Als een trekker ingeruild is, zit er geen zitting meer in, de lampen zijn eraf, de motorkap is los. Al die dingen kun je als onderdelen gebruiken. Ik ben smid, ik kan wat lassen, spuiten, uitdeuken, schuren, plamuren… Zo’n trekkertje, daar gaf ik niks voor, maar we hebben er wel voor 5000 dollar aan onderdelen bij moeten kopen. Bovendien zit er meer dan 500 uur in. Maar het ding doet het wel weer.”

Tractor en werktuigenmuseum Jan Drenthe

vrijdag 5 oktober 2012

Rood Rotterdam

Kees Rijken werd in 1908 geboren als zoon van een havenarbeider. Ik ontmoette hem in 1984 in Hillesluis, waar ik stage liep als jeugdwelzijnswerker. Hoe ik bij hem terecht kwam, en of die ontmoeting bij hem thuis of in het buurthuis plaatsvond, weet ik niet meer. Wel herinner ik me dat ik gefascineerd was door de politieke collages die hij maakte. Veel zwart-wit afbeeldingen met daarop mensenmassa’s die onderdrukt werden door het kapitaal, over de dreiging van kernwapens. Hij noemde zichzelf een arbeiderskunstenaar.
Toen we vorige maand met de Stichting Rotterdam Vertelt bezig waren met de samenstelling van een programma over politiek, moest ik weer aan Kees Rijken denken. Ik was zijn naam vergeten, maar kreeg gelukkig het boek 'Rood Rotterdam in de jaren dertig' onder ogen. Daarin komen linkse kopstukken uit het interbellum aan het woord en Rijken is een van hen.

De jaren dertig
'Rood Rotterdam' is een uitgave van de inmiddels verdwenen krakersuitgeverij Raket en de interviews zijn gemaakt door een collectief. Het is niet duidelijk wie daar deel van uitmaakten. Aan de hand van een aantal thema’s (wonen, werken, politiek leven, antifascisme acties en Spanjeacties) komen er in het boek socialisten, communisten en anarchisten uit de jaren dertig aan het woord. Rijken vertelt onder andere over huurstakingen en onderkruipers, over de steun (en hoe hij controlerende ambtenaren bijna zijn huis uitsloeg), over de werkverschaffing. Hij haalt Marx aan, die al zei dat de ontwikkeling van het kapitalisme z’n eigen graf graaft: het brengt arbeiders bij elkaar die zich in dezelfde slechte situatie bevinden. Daardoor vormen ze vanzelf een machtsfactor. Zelfs als ze werkloos waren. Een citaat:

Er stempelden tweeduizend mensen aan zo’n stempellokaal, elke dag weer opnieuw. Het waren altijd dezelfden en je kende elkaar. Je wist: dat is een fascist, dat is een katholiek enzovoort. Ik stond een keer in het stempellokaal met Geert van Oorschot, de schrijver, hij was van de OSP (Onafhankelijke Socialistiese Partij). We stonden te diskussiëren en het schuim stond op z’n bakkes. Afijn, een grote ploeg volk erom heen. En daar komt die politieagent aan: “Jij altijd Rijken, jij altijd met dat gelazer, dat sombere over daar komt de oorlog. Jij staat hier de mensen maar wat wijs te maken. Donder op!” Die ploeg werd uit elkaar geslagen. Laat nou die vent het eerste slachtoffer zijn van de Duitsers op de Koninginnebrug. Hij hielde die Duitsers met zijn revolver tegen, toen ze daar uit de Maas kwamen, in mei 1940. Dat is godverdomme wat.
(Rood Rotterdam, 83-85)

Kees Rijken was zijn leven lang actief als socialist, anarchist, communist en vakbondsman. Zijn archief wordt bewaard bij het IISG. Daar vind ik zelfs een aantal foto’s, een er van roept een vage herinnering aan hem op. Het boek 'Rood Rotterdam' is integraal op de website Onvoltooid Verleden terug te vinden.

Marc: Rijken, Kees.

vrijdag 10 augustus 2012

Hugo de Groot in Rostock

Een paar jaar geleden schreef ik in het kader van het project Geschiedenis in levende lijve een monoloog voor Hugo de Groot. De monoloog speelt zich af op het moment dat De Groot besluit Zweden te verlaten en zich afvraagt waar hij naartoe zal gaan. Bijna drie weken later overlijdt hij in in het Duitse Rostock. Omdat ik deze zomer Rostock bezoek, wil ik natuurlijk graag de plaquette zien die op de muur hangt van het pand waar De Groot is gestorven.

Hotel Sonne
De jongen achter de balie van de Tourist Information op de Universitätsplatz heeft nog nooit van Hugo Grotius gehoord, maar vindt na enig zoeken op internet de juiste straat voor me: Groβe Wasserstraβe. Op de hoek van deze straat en de Neue Markt staat een nieuw gebouw, Hotel Sonne, en op de muur van dit hotel hangt de plaquette. Met daaronder de uitleg dat op deze plek, tot ze werden vernield in de Tweede Wereldoorlog, elf mooie panden stonden waaronder enkele herbergen en brouwerijen. Hugo Grotius, de Nederlandse grondlegger van internationale jurisprudentie stierf in een van hen.
Maar waarom stierf onze grote rechtsgeleerde in deze stad aan de Oostzee?

Banneling
Op 11 augustus 1645 vertrekt Hugo de Groot uit Stockholm. Hij is tien jaar lang in Parijs ambassadeur voor Zweden geweest, maar vindt het genoeg. De Zweedse koningin Christina probeert hem over te halen te blijven. Hij weigert, het Zweedse klimaat bevalt hem helemaal niet. Het liefst wil De Groot terug naar zijn vaderland, maar daar is hij niet welkom. Hij is en blijft een banneling.
Het reisdoel van Hugo de Groot is niet bekend. Wil hij zich bij zijn vrouw Maria voegen die in Spa verblijft of heeft hij besloten toch maar terug te keren naar Parijs? Of is hij met een geheime Zweedse missie op weg naar Münster, zoals Vondel suggereert in een lijkdicht?
Dankzij de brieven die zijn bediende Willem van Crommon over deze reis aan zijn vader schrijft, weten we vrij nauwkeurig wat er tijdens de reis is gebeurd.

Storm
Op 12 augustus verlaat de ertsvaarder waarop De Groot en zijn gevolg zich bevinden de Zweedse haven Dalarö. De volgende dag komt het eiland Öland in zicht, maar het weer verslechtert en in de nacht van 14 op 15 augustus steekt er een storm op die het schip stevig toetakelt. Met één overgebleven mast drijft het schip voor de wind verder naar het oosten. Twee dagen later verhevigt de storm, maar gelukkig is er land in zicht. Het schip bevindt zich dan vlakbij de Poolse stad Łeba. ’s Ochtends waarschuwt de bemanning met een kanonschot de plaatselijke bevolking en als de wind kalmeert worden de opvarenden met een sloep aan land gebracht. Hugo de Groot besluit meteen door te reizen naar Lübeck, een tocht van zeshonderd kilometer. Op 22 augustus bereiken hij en zes dienaren Stettin en op 26 augustus komen ze aan in Rostock, waar hij een kamer betrekt op de bovenverdieping van het pension van Catherina Balemans, de weduwe van een wijnkoper. Hij is totaal uitgeput van de reis.

Terug naar Delft
De volgende dag wordt er een chirurgijn ontboden, deze vraagt er nog een arts bij, Joachim Stockman, hoogleraar aan de plaatselijke universiteit. Stockman vindt de situatie van de zieke niet ernstig, ’t was maar een vermoeytheyt. Maar de volgende dag geeft hij de patiënt geen enkele kans meer en adviseert een predikant te waarschuwen. Tegen middernacht blaast de ongelukkige rechtsgeleerde zijn laatste adem uit. Pensionhoudster Catherina Balemans zit naast hem.
Pas nu hij dood is, mag Hugo de Groot terug naar zijn geboortestad Delft. Zijn gebalsemde lichaam wordt op 3 oktober bijgezet in de Nieuwe Kerk.

Literatuur
Henk Nellen, ‘Hugo de Groot. Een leven in strijd om de vrede, 1583-1645’ (Balans, 2007)

maandag 4 juni 2012

Rondje Rotterdam

Vanochtend op Radio Rijnmond: een reportage over De Kwestie 010-020 Tour, speciaal voor Amsterdammers. Gegarandeerd Feyenoordvrij, aldus de gids. Een groep Amsterdamse werknemers van Icelandiar ging afgelopen zaterdag als eerste mee op pad, maar klonk niet erg overtuigd. In Delfshaven zeiden ze: ‘Nu zijn we eens een keer weg uit Amsterdam, lopen we weer langs een gracht.’

Markthal
Het was misschien beter geweest ze mee te nemen naar de Markthal Experience (naast de grote markt aan de Binnenrotte) die eveneens zaterdag geopend werd. Zelfs Vogue bericht er deze maand over. ‘Voedsel is hip en gastronomie is sexy, constateerde Winy Maas van het veelgeprezen Rotterdamse bureau MVRDV een paar jaar geleden.’ Dus bedacht hij een markthal zo groot als een voetbalveld en zo opwindend als de mercat van Barcelona. In de hal komen straten met marktkramen waar ambachtelijke en biologische producten te koop zijn. Op de eerste verdieping restaurants die ’s avonds uitkijken op de lege hal. Om de hal heen worden appartementen gebouwd waarvan de woonkamer en de keuken eveneens uitkijken op de markthal.

Botersloot
Een architectonisch hoogstandje dus, en dat allemaal op de plek waar de stad Rotterdam ooit begon. Voedsel is hier altijd belangrijk geweest. Al in de Middeleeuwen werd de boter op platbodems naar het boterhuis vervoerd, vandaar de straatnaam Botersloot. In 1619 werd de Rotterdamse Vleeshal geopend. Grote gebouwen aan de Botersloot zoals dat van de Spaarbank, het PTT gebouw (nu ouderenhuisvesting) en de oude Gemeentebibliotheek (nu nog Schoolmuseum) werden pas in het begin van de twintigste eeuw neergezet. De markt is er waarschijnlijk al zo lang als er mensen op deze plek wonen. In 2007 begon de gemeente met de herontwikkeling van deze wijk. Mede daardoor zitten er veel kleine winkels en een paar goede lunchplekken in de buurt. Op culinair gebied is hier veel te halen.

West-Kruiskade
Daarom spraken mijn tantes, nichtjes, zus en ik een paar weken geleden af om op culinaire strooptocht te gaan. Allemaal komen ze uit het noorden en oosten van het land en houden ze van koken. Ze waren benieuwd naar wat er in Rotterdam op dat gebied te vinden is. Wat bleek: een dag was nu eigenlijk al te kort om alles te doen wat we wilden doen. Hoogtepunten waren het rabarber-frambozentaartje bij het Vlaams Broodhuys, de enorme hoeveelheid kookspullen die te koop is bij het kookpunt, specialistische winkels zoals het Japans-Koreaanse Kazaguruma, de sfeervolle wijnhandel Platenburg en de lunch in de Groene Passage. Daarna gingen we naar de West-Kruiskade, vanwege de Chinese supermarkt, slagerij Schell die alle nationaliteiten in de stad bedient, en Kondreman, een van de oudste toko’s in Rotterdam. We aten bij Tai Wu aan een van de grote ronde tafels op het podium en voelde ons de keizerlijke familie. Op tafel stond eend, garnalen, gehakballetjes, groente, rijst en ei. Allemaal kleine gerechtjes, alles even lekker.

Onze conclusie? Rotterdam is nu al fijn. Ook voor Amsterdammers.

vrijdag 23 maart 2012

Rondje polder

Een fietstocht rondom de polder Prins Alexander

Tussen 1865 en 1874 werd het plassengebied ten oosten van Rotterdam drooggemalen en ontstond de polder Prins Alexander. De omtrek van de polder is ongeveer 42 kilometer, een verkenning van de randen van de polder is dus goed te doen op de fiets. Ik probeerde het uit op een zonnige zondag in maart.

De Ringvaart
Ik begin mijn tocht bij het punt waar de Turfweg uitkomt op de Ringvaartweg, ongeveer op de grens van de deelgemeenten Kralingen-Crooswijk en Prins Alexander. Maar ik zie al snel in dat de sloot langs deze weg niet de Ringvaart is. De Ringvaart zelf ligt verstopt achter een huizenrij. Aan de overkant is een weg die ernaast loopt, de Jan van Tilburgstraat. Het is een verrassend mooi stukje Rotterdam met een brede grasoever en bomen die spiegelen in het water.
De Ringvaart vormt de zuidelijke grens van de polder.
De polder ligt op het grondgebied van drie gemeenten. Als ik het tunneltje onder de Prins Alexanderlaan uitrij, fiets ik Capelle aan den IJssel in. Hier staat het Beijerinckgemaal, een van de drie ondergemalen van de polder. Ook bij de Kralingse Kerklaan stond een ondergemaal, maar dat is in 1965 afgebroken. Het derde ondergemaal staat bij Nieuwerkerk aan den IJssel. Het Beijerinckgemaal is vernoemd naar ingenieur Jan Anne Beijerinck, die verantwoordelijk was voor het droogmaken van de polder Prins Alexander. Eerder zorgde hij ervoor dat de Haarlemmermeer dankzij een nieuwe technische ontwikkeling – het stoomgemaal - een polder werd.
Het bovengemaal, vernoemd naar prins Alexander die er als 15-jarige in 1866 de eerste steen legde, stond tot 1971 in Kralingseveer en pompte het polderwater de Maas in.

Poldergevoel
Terwijl ik over de Bermweg aan de noordkant van de Ringvaart fiets, ervaar ik het echte poldergevoel: de wijk links van mij ligt vele meters lager dan het waterpeil van de Ringvaart.
Ik fiets verder naar het oosten en kom op de kruising van de Schenkelse Dreef met de Ringvaart een polderkunstwerk tegen. ‘Languit het land omringd door water’ staat er uitgespaard in steen te lezen op de brug. De maker is kunstenares Jacqueline Verhaagen.
Verderop passeer ik het Schollebos, een groot recreatiegebied, en fiets dan eindelijk de stad uit. Hoewel, verderop doemen de buitenwijken van Nieuwerkerk aan den IJssel al op. Hier in de weilanden staat het P.D. Kleijgemaal. Dit gemaal werd in 1988 gebouwd achter het oude ondergemaal dat dezelfde naam droeg en inmiddels is afgebroken.

De Zuidplaspolder
In Nieuwerkerk aan den IJssel mag ik eindelijk afslaan, naar links de Kerklaan op. Hier loopt de Ringvaart die de oostelijke grens van de polder vormt. Rechts van de vaart ligt de Zuidplaspolder die tussen 1825 en 1840 werd drooggemalen. Met dertig windmolens.
Zodra het mogelijk is, steek ik via een wit ophaalbruggetje het water over en fiets verder evenwijdig aan het water over de Oostringdijk.
De Zuidplaspolder heeft de eer het diepste punt van Nederland te herbergen. Verderop, aan de A20, op het terrein van Van Vliet Trucks staat een monument in de vorm van een NAP-peilschaal. De rode ring bovenaan de peilschaal geeft aan hoe hoog de zeespiegel is. De bodem van de polder ligt 6,74 meter lager.
Bij de Dorpsstraat gaat de Oostringdijk over in de Westringdijk. Links ligt het oude centrum van Nieuwerkerk. Als ik het dorp voorbij ben, voert de Westringdijk me over de A20. Rechts, in de Zuidplaspolder, staan huizen met kassen en grazen paarden en schapen. Links doemt Rotterdam alweer op, in de vorm van de jonge wijk Nesselande.

De Wollefoppenweg
Tot nog toe was de grens van de polder niet moeilijk te volgen – volg de Ringvaart - maar hier moet ik de Ringvaart verlaten en uitzoeken waar de grens tussen de Eendragtspolder en de Prins Alexanderpolder ligt. Thuis heb ik een oude kaart naast mijn fietskaart gelegd en gezien dat het ongeveer de Wollefoppenweg moet zijn. Bij kwekerij Van der Dussen steek ik de Ringvaart over via een smalle draaibrug. Aan de andere kant verwelkomt een bordje ‘Rotterdam’ me.
Ik fiets de Wollefoppenweg op en besef ineens dat het deel van Nesselande dat nu rechts van me ligt, en dat behoort tot deelgemeente Prins Alexander, in de Eendragtspolder ligt. Dat geldt ook voor de Zevenhuizer Plas. Een plas overigens die niet is ontstaan door vervening. Hier is het zand afgegraven dat men nodig had om de wijk Zevenkamp te bouwen.

De Rotte
Voorbij de plas fiets ik de Vlietkade op en kom bij het gehucht Oud Verlaat. Daar ligt de Rotte te glinsteren in de zon, het kronkelende veenriviertje waaraan Rotterdam zijn naam te danken heeft. De Rotte is de noordelijke grens van de polder. Over de dijk fiets ik naar het westen. Ook hier kan de fietser het poldergevoel ervaren. De Rotte ligt hoog, het land ligt meters lager.
Ik fiets langs grazige weiden en langs de nieuwe wijk Terbregge, die hoort bij deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek en die toch in de polder Prins Alexander ligt.
Bij de Veilingweg, waar vroeger de polder Spiegelnisse lag, heeft de polder een vreemde uitstulping. Het is een niemandsgebied, daar onder de A20 en de spoorbrug van de lijn Rotterdam-Utrecht. Bijna onder de spoorbrug ligt een verroest schip op het droge en op het hoekje Rotte, Veiligweg, Veilingbrug en Boezem staat al zolang ik me herinner – ik woon sinds 1992 in Rotterdam - een huisje van planken en golfplaat. Er lopen hanen rond, de was wappert aan de lijn.
Waar nu het grote witte politiegebouw staat, was vroeger de veiling waar de tuinders uit de polder Prins Alexander hun groenten naartoe brachten. De veiling verhuisde in 1972 naar Bleiswijk. De tuinders moesten in de jaren zestig hun bedrijf opheffen omdat de polder een woonbestemming kreeg.

De Kralingse Plas
Langs de Boezemlaan fiets ik naar het oosten. De Kralingse Plas behoorde wel tot de kleine plassen van Schieland, maar is als enige plas de droogmakingsdans ontsprongen. Het verhaal gaat dat de eigenaar van een Kralings landgoed zijn vrienden bij het Hoogheemraadschap Schieland verzocht deze plas te sparen omdat hij zo van het uitzicht genoot. Rondom de plas is in de jaren dertig een bos aangelegd.
Hier is het lastig de grenzen van de polder te herkennen. Als er hier al een echte Ringvaart is geweest, die aansloot op de Ringvaart achter de Ringvaartweg, dan is hij al jaren geleden verdwenen. Maar het is helemaal niet erg om deze fietstocht te laten eindigen bij de Kralingse Plas.