Posts tonen met het label interviews. Alle posts tonen
Posts tonen met het label interviews. Alle posts tonen

donderdag 15 augustus 2013

Verhalen halen

Daar zit ik dan. In de etalage van de winkel van Dare to Care aan de Herenplaats, middenin Rotterdam op een doordeweekse dag. Buiten lopen mensen langs die op weg zijn naar de markt. Binnen is het rustig.

Dare to Care is een initiatief van Manja Ellenbroek, die vernieuwende projecten en concepten in de zorg wil stimuleren en ondersteunen. In haar winkel staan bijvoorbeeld een mooi ontworpen rolstoel en een wandelstok die vanzelf blijft staan. Er ligt ook koffer van Facebook at Age (een concept van Mona van Zuilekom). Het idee is dat ouderen een koffer vullen met dierbare herinneringen, zoals jongeren dat doen met hun facebookpagina.
Manja heeft gevraagd of Rotterdam Vertelt een workshop wil geven in het kader van de summerschool die ze organiseert. We vragen mensen naar een persoonlijk verhaal uit de Rotterdamse geschiedenis dat onbekend is maar dat volgens hen wel de moeite waard is om vast te leggen. Helaas loopt het geen storm. Wel komen er een paar bewoners van de beschermde woonvorm Pameijer op bezoek. En zij vertellen een paar mooie verhalen.

Kralingen
Karel is in de jaren zestig opgegroeid aan de Kortekade. Zijn moeder werkte in een hoedenatelier in het chique deel van Kralingen, de Avenue of de Voorschoterlaan. In die tijd droegen dames daar nog hoeden. De Kortekade was een gewone arbeidersstraat, waar de melkboer en de kolenboer aan huis kwamen en de huur en het ziekenfonds aan de deur werd opgehaald. Toch was het wennen toen hij later naar Crooswijk verhuisde. Kinderen vloekten daar. In Kralingen riepen moeders: ‘Gertjan, eten! ’ als hun zoon thuis moest komen. In Crooswijk schreeuwden ze over straat: ‘Vreten, als je nou niet binnenkomt!’

Natuur in de stad
Wil heeft een rotjeugd gehad in Bospolder. Toch vertelt ze met plezier over het bloemenjasje dat ze droeg als ze uitging met haar zus. Het zat vol met speldjes van bands zoals Led Zeppelin en Status Quo, waar ze in de jaren zeventig fan van was. Hoewel ze opgroeide in de stad, bewaart ze haar beste herinneringen aan spelen in de natuur. Lieveheersbeestjes zoeken in de tuin van de Eloutschool aan de ’s Gravendijkwal. Die deed ze in een potje en liet ze later vrij. Kikkers en kikkervisjes vangen bij de Overschiese Kleiweg. Daar ging ze ook wel kijken naar het hondenrennen op ’t Zwarte Pad. Of ze fietste de stad uit, naar Delft: ‘De stad was altijd te druk. Dat vond ik als kind al.’

Moord in Zuidwijk
Aad kan maar aan een verhaal denken als ik hem ernaar vraag: de moord op het Brekelsveld. In 1963 was hij acht jaar en woonde hij in Zuidwijk, waar iedereen elkaar kende. Op een dag moest hij een doosje Willem II gaan halen bij de sigarenwinkel. Daar was een vreemde man in de winkel, die zei: ‘Zo, ben je boodschappen aan het doen?’ De nacht erop werd de eigenaresse van de winkel vermoord, met een van haar zoontjes. Hij vertelde thuis wel over de vreemdeling, maar daar zeiden ze: laat gaan. Als kind doe je dat dan. Maar ondertussen vraagt hij zich nog steeds af of het niet beter was geweest als hij met commissaris Blauw was gaan praten. De moord is nooit opgelost.

Vraag en aanbod
Even later komt de Rotterdamse evangelist Maasbach ter sprake, die een tijdlang veel invloed had. Wil herinnert zich zijn advertenties in de krant en heeft wel eens een bijeenkomst bezocht. Aad is ooit bekeerd via een een jeugdevangelisatiegroep. Later in zijn leven maakte hij zoveel tegenslag mee dat hij het geloof heeft opgegeven.
Zo levert een middagje bij Dare to Care toch een aantal mooie onderwerpen op. Wel is het de vraag hoe al die verhalen kunnen worden vastgelegd. Is het niet een idee om de website van Rotterdam Vertelt ook een soort markplaats te laten zijn waar vraag (ik wil een interview maken, ik zoek een verhaal over een bepaald onderwerp) en aanbod (ik heb een persoonlijk verhaal over de Rotterdamse geschiedenis) bij elkaar kunnen komen?

vrijdag 9 november 2012

Jan Drenthe

Vorige maand maakte ik samen met Albert Haar een interview met Jan Drenthe van het Tractor en Werktuigenmuseum in Valthermond. Het museum komt voort uit het bedrijf dat Jan Drenthe hier tot 1980 runde, samen met zijn vrouw Jo. De verhalen van Jan Drenthe zijn nu op film opgenomen. Binnenkort zal in het museum te zien zijn hoe de collectie tot stand is gekomen en waarom het zo’n mooie illustratie is van de naoorlogse ontwikkelingen in de landbouw. Tijdens het Drents Museumcongres op 19 november in Roden wordt de website www.museaindrenthe.nl gelanceerd, met daarop ook het museum van Jan Drenthe.

Smederij

Jan Drenthe werd in 1926 geboren in Ter Apel. Twee jaar later verhuisde hij naar Valthermond, waar zijn vader een kleine smederij begon. In 1939 werd Jan van school gehaald omdat hij zijn vader moest helpen: “Mijn broers mochten leren, maar ik was de handigste dunkt mij en moest mijn vader helpen.”
In 1951 verhuisde het bedrijf naar de plek waar het museum nu is. Achter het huis is een grote loods waar alle tractoren staan opgesteld. In de schuur daarnaast zit de smederij.
Jan’s vader maakte daar eenscharige ploegen, vertelt Drenthe: “Daar had hij een dag voor nodig. Hij begon ‘s ochtends om een uur of zes en was tegen de avond klaar. Over een tweescharige ploeg deed hij anderhalve dag. Mijn moeder verfde ze later op. In het begin hebben we ook nog wel paarden beslagen, maar rond 1960 was dat echt afgelopen.

Marshallhulp
Dat had alles te maken met de landbouwmechanisatie. Voor de oorlog had een boer met twintig hectare grond twee of drie arbeiders in dienst..Na de oorlog was dat al snel niet meer op te brengen doordat de lonen razendsnel stegen. Bovendien werd er in 1951 met steun van de Marshallhulp een borgstellingsfonds opgericht, als stimulans voor boeren die zelf onvoldoende middelen hadden om te investeren.
Er werden duizenden trekkers ingevoerd, het meest Amerikaanse, zegt Drenthe: “Wij kochten en verkochten onze eerste tractor in 1947.Dat was nog een heel gedoe, omdat we daarvoor een vergunning nodig hadden. Een bureauhouder, meestal een grote boer die actief was voor de gemeenschap, beoordeelde of je voor een tractor in aanmerking kwam. Zelf had hij er natuurlijk als eerste in Valthermond een. Wij gaven ons op als loonwerker en toen kregen wij er ook een, een Farmall voor 2600 gulden. We hebben die vrij snel doorverkocht. Dat mocht eigenlijk niet, maar we konden ‘m nauwelijks betalen. Het was het begin van de handel. In tien jaar tijd hadden alle boeren in Valthermond een tractor.

McCormick tractoren
“Achter die allereerste tractoren”, vervolgt hij, “kwam gewoon een paardenwerktuig. In het begin zag je zelfs dat een dat een boer achter de ploeg bleef lopen, zoals je dat ook bij een paard doet. Tractoren werden alleen gebruikt om te trekken. Pas veel later kregen tractoren ook een hydraulische hefinrichting, waardoor de werktuigen er echt aan gekoppeld konden worden.”
In Amerika was de mechanisatie al ver voor de oorlog op gang gekomen . Een grote producent als McCormick liep daardoor ook voorop in de vormgeving van de tractoren. Het bedrijf werkte samen met Raymond Loewy, een belangrijke ontwerper die ook verantwoordelijk was voor de vormgeving van de merken Coca Cola en Lucky Strike. Door Loewy werden na 1938 alle McCormicktractoren in dezelfde kleur rood geleverd.

Graan en aardappelen
In een tweede loods staan de landbouwwerktuigen opgesteld. Een van de mooiste machines is de Osbourne Reaper, een graanmaaier die al aan het einde van de negentiende eeuw in Amerika gebruikt werd. De grootste is een combine uit 1959, een van de eerste machines die het graan kon maaien en kon dorsen. Aan de zijkant is goed te zien hoe het ding in elkaar zit, wat natuurlijk levensgevaarlijk was.
Jan Drenthe: “Onvoorstelbaar dat het zo kon, zo open en bloot. Zo’n machine smeren, dat deden ze gewoon terwijl die draaide. Er zijn zoveel ongelukken mee gebeurd. Regelmatig verloren mensen hun handen of werden er vingers afgesneden.”
Verderop staan de werktuigen die gebruikt werden bij de aardappeloogst. Het zijn slimme machines die met kleine aanpassingen tijdens alle fasen van de aardappelteelt ingezet konden worden. Aardappelrooimachines hebben ervoor gezorgd dat vrouwen niet meer nodig waren op het land. Jan Drenthe: “Vroeger werkte het hele gezin op het land, op een rij, de kleinste kinderen het dichtst bij hun moeder. Dat is gelukkig afgelopen.”

Restauratie
In 1980 stopte Jan Drenthe met zijn bedrijf. Hij begon tractoren en landbouwwerktuigen te verzamelen, samen met zijn zoon Arend.
“In de vakanties deden we aardappelen en brood in de kofferbak en zo gingen we op strooptocht in Frankrijk. Daar zag je die dingen overal langs de weg staan. Als een trekker ingeruild is, zit er geen zitting meer in, de lampen zijn eraf, de motorkap is los. Al die dingen kun je als onderdelen gebruiken. Ik ben smid, ik kan wat lassen, spuiten, uitdeuken, schuren, plamuren… Zo’n trekkertje, daar gaf ik niks voor, maar we hebben er wel voor 5000 dollar aan onderdelen bij moeten kopen. Bovendien zit er meer dan 500 uur in. Maar het ding doet het wel weer.”

Tractor en werktuigenmuseum Jan Drenthe

donderdag 26 mei 2011

Het lied van je moeder (voorheen Heimweeliedjes)


Heimweeliedjes verzamelen: het klinkt leuk en eenvoudig, maar in de praktijk is het nog tamelijk ingewikkeld. Het idee om via jongeren liedjes van buurtbewoners op te sporen werkt niet goed. Vandaar dat we hebben besloten om op zoek te gaan naar duo’s: jongeren (14-20 jaar) met hun oma, tante, moeder die wonen in de Deelgemeente Noord of Kralingen-Crooswijk. En dus is het ook tijd voor een kleine campagne. We sturen persberichten rond en hebben prachtige affiches laten ontwerpen door Animamia /Chriztee. De symbolen op het affiche hebben allemaal te maken met heimwee: een Noordafrikaanse bloem, een bandoleon, henna, het boze oog uit Turkije, Kaapverdische muziek, een Marokkaans tegelpatroon, een tropisch vogeltje, een schommelstoel en een veranda. De posters zijn geprint en worden op dit moment verspreid in de twee deelgemeentes.

We zijn op zoek naar liedjes die vertellen over heimwee naar vroeger, naar ver weg. De liedjes gaan niet per se over heimwee, maar geven wel dat gevoel weer. Het gaat ons om persoonlijke, ‘kleine’ liedjes en verhalen, die soms van generatie op generatie zijn doorgegeven. We zorgen ervoor dat de tekst van het liedje opgeschreven wordt, en dat het liedje en het verhaal bewaard blijven voor latere generaties. De liedjes en verhalen vormen samen een archief over het gevoel van heimwee dat leeft Noord en Kralingen-Crooswijk. Maar ook over cultuur en hoe die wordt overgedragen. Op basis van dat archief maken we in ieder geval een boekje. En afhankelijk van wat onze zoektocht oplevert, zullen we een evenement organiseren of een radioprogramma maken.

We hopen natuurlijk dat dit project niet minder is dan de start van een nieuwe serie waarop de in 2010 overleden liedjesverzamelaar Ate Doornbosch trots zou zijn geweest. Zijn werk is inmiddels onderdeel van de liederenbank, die beheerd wordt door het Meertensinstituut.

Dit project wordt mogelijk gemaakt door de Gemeente Rotterdam, Oranjefonds, PWS, Stichting Bevordering Volkskracht, Stichting Welzijn Noord.

maandag 24 januari 2011

Eind jaren zestig werd alles anders, ook de dagelijkse boodschappen

Mijn ouders trouwden in december 1963. Allebei waren ze opgegroeid op het platteland, op een boerderij. Mijn moeder zegde haar baan op als hoofd van de keuken in een verzorgingshuis en regelde voortaan alleen nog haar eigen tweepersoons-huishouding in Steenwijk. Ik moest daar aan denken toen ik in een artikel las over Albert Heijn – en hoe handig de supermarktketen inspeelde op de veranderingen in naoorlogs Nederland (Hubert Smeets in NRC, 14 januari 2011).

Wijn
Vanaf 1963 werd de zaterdag een vrije dag, gingen kinderen veel vaker studeren en werd het steeds gewoner om de vakantie in het buitenland door te brengen. Zo kwam ook de camembert uit Frankrijk, de sherry en Rioja uit Spanje en Italiaanse spaghetti de supermarkt in. De oude standsverschillen tussen arbeiders, boeren en buitenlui verdwenen, net zoals de grootste verschillen tussen stad en platteland. Winkelcentra kwamen als paddenstoelen de grond uit en AH wist zich in de meeste daarvan een plek te veroveren.
De welvaart nam dus enorm toe na 1963. En daardoor veranderde het dagelijkse eten en drinken van veel Nederlanders. “Bij ons op de boerderij werd er nooit veel gedronken, eigenlijk alleen met feestdagen en verjaardagen en soms als er geslacht of verhandeld werd," zegt mijn moeder. "Toen we trouwden gaf oma ons een fles port en een fles sherry mee voor in de voorraadkast. Dat hoort er ook bij, zei ze. We deden er heel lang mee.” Nu drinken mijn ouders bijna elke dag een glas wijn.

Verse groente
Kookte mijn moeder anders dan haar moeder?  “Oma kookte ook al goed, modern. Ze was daarvoor op cursus geweest in Emmen.. Traditioneel eten zoals bonen, spek en peulvruchten kregen we niet vaak. Ze liet de groente ook niet urenlang op het fornuis staan zoals veel mensen deden. We aten soms al macaroni en ze kookte veel verse groente die ze zelf verbouwde. Nieuw-Zeelandse spinazie bijvoorbeeld, dat groeide door als je het plukte. Daar experimenteerde ze dan mee.”

In Steenwijk werden de meeste boodschappen nog thuis gebracht. De melkboer kwam dagelijks langs, net zoals de bakker. “Je kende elkaar goed. Ik herinner me dat de bakker langskwam en jij als klein meisje snel naar binnen glipte. ‘Dat doet ze omdat ik haar net een standje heb gegeven. Ze liep aan de overkant van de straat en dat mag vast niet’, zei hij.” In 1964 werd de eerste supermarkt geopend in Steenwijk: een Sparwinkel. “Daar werden we ook klant. We gingen niet weg bij de bakker en de melkboer, maar haalden ook wel dingen bij de Spar. Ik vond dat leuk omdat het nieuw was.”

Internationaal
Albert Heijn heeft er – mede dankzij het huisblad Allerhande voor gezorgd dat de Hollandse keuken veel internationaler werd. Maar bij ons thuis veranderde er niet zoveel. Nieuw was dat we kip van de grill aten en verse vis: altijd op donderdag, als er markt was. Verder aten we macaroni met ui, tomaten en boterhamworst, stamppotten, kapucijners met spek en zilveruitjes, een karbonaadje met sperziebonen, zuurkoolschotel, rode kool met een gehaktbal. Misschien kwam dat omdat we nooit in de buurt van een Albert Heijn woonden. We gingen ook niet ver weg op vakantie. “Die lange ritten met kinderen vonden we niks. En het maakte jullie niet uit of je op de Havelterberg of in Spanje was,” zegt mijn moeder.
Nadat mijn zus en ik uit huis waren zijn mijn ouders wel gaan reizen, met als doel zo snel mogelijk veel van de wereld te zien. In de supermarkten zijn pakjes met smaken uit verre landen een vast onderdeel van het assortiment geworden. Langzamerhand veranderde daarmee ook het eten thuis. (MB)

Voor Reflex hebben we de lessenserie ‘Rotterdam Was’ gemaakt. Een van de lessen gaat over de veranderingen in de jaren zestig: ontzuiling en emancipatie. Rotterdam was… een hippiestad. Van Annie MG Schmidt tot het Kralingen Popfestival. www.rotterdamwas.nl

maandag 22 november 2010

Heimweeliedjes

De meidengroep van buurthuis Basta zoekt heimweeliedjes en bijbehorende verhalen in de Agniesebuurt. Daarmee willen ze een voorstelling en een boekje maken. Sinds een paar weken hebben ze opname-apparaatjes. De eerste liedjes zijn inmiddels opgenomen, met dank aan de dames van de woensdagmiddag-kaartclub. Nu willen ze de buurt in om daar nog meer liedjes op te nemen. Misschien woont u al uw hele leven in de Agniesebuurt en kent u nog een liedje dat u vroeger samen met vriendinnen zong. Of u komt uit Marokko en u zingt weleens liedjes die u vroeger met uw oma zong. De meiden willen die liedjes graag horen en opnemen.
Ze zullen de liedjes opnemen, uitschrijven en vertalen (met hulp van u of van anderen). Ze zullen u ook vragen stellen over vroeger omdat ze graag willen weten waar u die liedjes zong. Maar ook waarom u ze zong en met wie. Heimweeliedjes gaan niet per se over heimwee, maar ze roepen een gevoel van heimwee op. Ze vertellen over hoe het vroeger was in Rotterdam, in Marakech, in Kayseri of in Nickerie. Al die liedjes en verhalen horen net zo goed bij de Agniesebuurt als de winkels in de Teilingerstraat of de bogen van de Hofpleinlijn. Zoals Arie van de Krogt zingt:  
Dit is een stad om van te houden/ Dit is een stad die toekomst heeft/  Want, het verleden zit niet in gebouwen/  Maar in het heimwee dat hier leeft...

Wie niet in de Agniesebuurt woont, kan terecht op de facebookpagina van Geschiedenislab. Daar verzamelen we ook heimweeliedjes en dan blijkt dat het een omvangrijk genre is. Willy heeft er een wiegeliedje van haar oma op gezet, Marjan denkt vooral aan een jaren zeventighit die ze een zomer lang op de autoradio hoorde en voor Karin is het de persoon van Freddie Mercury die heimwee oproept naar haar tienerjaren. Maar we blijven het proberen!  

Schuilen onder de spoorbogen

Vorig jaar interviewden we in opdracht van de Rotterdamse deelgemeente Noord bijna veertig mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog woonden in dit deel van Rotterdam. We ondervroegen hen over de eerste dagen van de oorlog, het bombardement, het dagelijks leven, de hongerwinter en natuurlijk de bevrijding. De afgelopen maanden bewerkten we de interviews tot een boek met verhalen voor kinderen van tien tot twaalf jaar. Illustratrice Helen van Vliet maakte er prachtige tekeningen bij.
Het boek, ‘Schuilen onder de spoorbogen’, werd vorige week uitgedeeld aan groep 7 en 8 van de basisscholen in deelgemeente Noord. Het bijzondere van de verhalen is dat ze zich afspelen in de straten waar de kinderen van nu wonen, spelen en naar school gaan.
Op 4 mei, na de herdenking bij het monument op de Noordsingel - waar tijdens de oorlog een Engelse piloot zijn brandende toestel in de singel vloog om te voorkomen dat hij neerstortte op een woonwijk - deelde Ina Chabot, fractievoorzitter van de PvdA en initiatiefneemster van het project, het boek uit aan de geïnterviewden.
‘Schuilen onder de spoorbogen’ is te koop bij boekhandel Snoek. Het kost € 12,50.