woensdag 28 augustus 2013

Slapen op een strozak

Tijdens onze vakantie deze zomer in Portugal kwamen we terecht op de camping van São Jacinto, op het schiereiland dat voor de kust van Aveiro ligt. Het meest opvallend van deze eenvoudige camping waren zes pastelkleurige huisjes die meteen associaties opriepen met de jaren vijftig en zestig. De beheerder van de camping vertelde ons dat de camping zestig jaar oud is en de huisjes vijftig jaar.

Oudste camping
Omdat mijn grootouders niet kampeerden en mijn ouders pas na de oorlog oud genoeg waren om er zelfstandig op uit te trekken, heb ik altijd gedacht dat recreatief kamperen pas ontstond aan het eind van de jaren veertig, maar deze vorm van vakantie vieren is al bijna een eeuw oud. In Bakkum gaf de Duitse prinses Von Wied in 1914 toestemming aan een aantal mensen om hun tent op te slaan op haar landgoed. In 1920 verleenden de Provinciale Staten van Noord-Holland, die het domein inmiddels beheerden, een vergunning aan elf dames en negen heren om enige tijd op het landgoed te kamperen. Camping Bakkum claimt de oudste camping van ons land te zijn. Op deze website staan verhalen over geschiedenis van de camping.

Rotterdam aan zee
Een heel mooi inkijkje in de vroege jaren van het kamperen geeft het onlangs uitgekomen boek ‘De houten kampeerstad van Rotterdam aan zee’, waarin Mario Bruijns de geschiedenis van de camping van Hoek van Holland beschrijft. Deze begint in april 1921 als de gemeente Rotterdam de exploitatie van het strand van Hoek van Holland op zich neemt. Mensen mogen een tentje opzetten in het duingebied bij het Stille strand, mits ze een vergunning aanvragen bij de politie. De kampeerders krijgen een plaatsje toegewezen door een agent. Een deel van het terrein - van een camping wordt nog niet gesproken - ligt op het weiland van boer Tukker, zodat er regelmatig een grazende koe ronddwaalt tussen de tenten. Het terrein wordt daarom afgezet met prikkeldraad. Twee keer per week komt een agent langs met water dat de kampeerders tegen betaling af kunnen nemen.
In 1924 gaat het goed met de economie en trekken steeds meer Rotterdammers naar Hoek van Holland. Het terrein wordt steeds meer een echt kampeerterrein met waterkranen, toiletten èn een politiepost. In augustus 1925 staan er al 350 tenten. De meeste kampeerders naaien hun tenten zelf van watervast linnen. Ze slapen op strozakken of op los stro met een deken erover.
Al snel verschijnen de eerste houten huisjes en tegenwoordig is de camping inderdaad een houten stad aan zee. In dit item van RTV-Rijnmond wordt de oudste bewoonster van Rotterdam aan zee geinterviewd.

‘De houten kampeerstad van Rotterdam aan zee’ staat vol prachtige kampeerfoto’s, is een uitgave van uitgeverij Ad. Donker en kost € 19,50.


donderdag 15 augustus 2013

Verhalen halen

Daar zit ik dan. In de etalage van de winkel van Dare to Care aan de Herenplaats, middenin Rotterdam op een doordeweekse dag. Buiten lopen mensen langs die op weg zijn naar de markt. Binnen is het rustig.

Dare to Care is een initiatief van Manja Ellenbroek, die vernieuwende projecten en concepten in de zorg wil stimuleren en ondersteunen. In haar winkel staan bijvoorbeeld een mooi ontworpen rolstoel en een wandelstok die vanzelf blijft staan. Er ligt ook koffer van Facebook at Age (een concept van Mona van Zuilekom). Het idee is dat ouderen een koffer vullen met dierbare herinneringen, zoals jongeren dat doen met hun facebookpagina.
Manja heeft gevraagd of Rotterdam Vertelt een workshop wil geven in het kader van de summerschool die ze organiseert. We vragen mensen naar een persoonlijk verhaal uit de Rotterdamse geschiedenis dat onbekend is maar dat volgens hen wel de moeite waard is om vast te leggen. Helaas loopt het geen storm. Wel komen er een paar bewoners van de beschermde woonvorm Pameijer op bezoek. En zij vertellen een paar mooie verhalen.

Kralingen
Karel is in de jaren zestig opgegroeid aan de Kortekade. Zijn moeder werkte in een hoedenatelier in het chique deel van Kralingen, de Avenue of de Voorschoterlaan. In die tijd droegen dames daar nog hoeden. De Kortekade was een gewone arbeidersstraat, waar de melkboer en de kolenboer aan huis kwamen en de huur en het ziekenfonds aan de deur werd opgehaald. Toch was het wennen toen hij later naar Crooswijk verhuisde. Kinderen vloekten daar. In Kralingen riepen moeders: ‘Gertjan, eten! ’ als hun zoon thuis moest komen. In Crooswijk schreeuwden ze over straat: ‘Vreten, als je nou niet binnenkomt!’

Natuur in de stad
Wil heeft een rotjeugd gehad in Bospolder. Toch vertelt ze met plezier over het bloemenjasje dat ze droeg als ze uitging met haar zus. Het zat vol met speldjes van bands zoals Led Zeppelin en Status Quo, waar ze in de jaren zeventig fan van was. Hoewel ze opgroeide in de stad, bewaart ze haar beste herinneringen aan spelen in de natuur. Lieveheersbeestjes zoeken in de tuin van de Eloutschool aan de ’s Gravendijkwal. Die deed ze in een potje en liet ze later vrij. Kikkers en kikkervisjes vangen bij de Overschiese Kleiweg. Daar ging ze ook wel kijken naar het hondenrennen op ’t Zwarte Pad. Of ze fietste de stad uit, naar Delft: ‘De stad was altijd te druk. Dat vond ik als kind al.’

Moord in Zuidwijk
Aad kan maar aan een verhaal denken als ik hem ernaar vraag: de moord op het Brekelsveld. In 1963 was hij acht jaar en woonde hij in Zuidwijk, waar iedereen elkaar kende. Op een dag moest hij een doosje Willem II gaan halen bij de sigarenwinkel. Daar was een vreemde man in de winkel, die zei: ‘Zo, ben je boodschappen aan het doen?’ De nacht erop werd de eigenaresse van de winkel vermoord, met een van haar zoontjes. Hij vertelde thuis wel over de vreemdeling, maar daar zeiden ze: laat gaan. Als kind doe je dat dan. Maar ondertussen vraagt hij zich nog steeds af of het niet beter was geweest als hij met commissaris Blauw was gaan praten. De moord is nooit opgelost.

Vraag en aanbod
Even later komt de Rotterdamse evangelist Maasbach ter sprake, die een tijdlang veel invloed had. Wil herinnert zich zijn advertenties in de krant en heeft wel eens een bijeenkomst bezocht. Aad is ooit bekeerd via een een jeugdevangelisatiegroep. Later in zijn leven maakte hij zoveel tegenslag mee dat hij het geloof heeft opgegeven.
Zo levert een middagje bij Dare to Care toch een aantal mooie onderwerpen op. Wel is het de vraag hoe al die verhalen kunnen worden vastgelegd. Is het niet een idee om de website van Rotterdam Vertelt ook een soort markplaats te laten zijn waar vraag (ik wil een interview maken, ik zoek een verhaal over een bepaald onderwerp) en aanbod (ik heb een persoonlijk verhaal over de Rotterdamse geschiedenis) bij elkaar kunnen komen?

zondag 14 april 2013

Excelsior, vakantiehuis voor arbeiders

In mijn jeugd woonde ik op Ameland. Een aantal gebouwen leek onlosmakelijk verbonden met het eiland: de vuurtoren, de losstaande kerktoren in Nes en vakantiehuis Excelsior. Excelsior lag in de duinen ten zuiden van camping Duinoord. Het was een laag en langgerekt houten gebouw met kleine raampjes en een rieten dak dat harmonieerde met de omringende duinen.
Excelsior hoorde niet alleen bij ons eilander leven in de jaren zeventig en tachtig, al veel eerder hoorde het bij het leven van mijn socialistische grootouders die woonden in de buurt van Leeuwarden.

Niet om het gewin, maar voor het gezin
De geschiedenis van Excelsior dateert van 1898. Dan begint een groep SDAP-ers uit Leeuwarden onder de naam Coöperatieve Productie en Verbruikersvereniging Excelsior een bakkerij aan het Vliet. De bakkerij levert brood aan aangesloten winkels in de stad. Het wordt een succes. De klanten kunnen bonnetjes sparen waarmee ze recht op dividend hebben.
‘Niet om het gewin, maar voor het gezin’ is de slagzin van de coöperatie. Excelsior is Latijn voor ‘steeds hoger’.
Al snel breidt Excelsior haar assortiment uit met onder meer groenten, fruit, zuivel, brandstof, kleding en schoenen. Op het hoogtepunt van haar bestaan bevoorraadt de coöperatie zeventig winkels.
De coöperatie belandt in de jaren zestig in een neergaande lijn, de besluitvorming is te traag en de winkels kunnen niet concurreren met de supermarkten. In 1973 stopt de coöperatie en worden de winkels verkocht aan supermarktketen Edah.

Vakantiehuis
De coöperatie laat in 1926 een eigen vakantiehuis bouwen op Ameland, Excelsior. Hier kunnen de kinderen van leden van de coöperatie hun vakantie doorbrengen. Het is zo’n succes dat het drie jaar later uitgebreid kan worden met een hotel/pensiongedeelte dat is bestemd voor arbeidersgezinnen en vrouwengroepen.
De ouders van mijn moeder waren lid van de SDAP. In hun fotoalbum vind ik kiekjes van uitstapjes naar Ameland en dit groepsportret. Het is onmiskenbaar een vrouwengroep, maar het opschrift van het bord dat een paar vrouwen op de eerste rij vasthouden, kan ik niet lezen.

In 1978 gaat de coöperatie failliet en wordt vakantiehuis Excelsior verkocht. In 1992 wordt het afgebroken.

Waar is Excelsior gebleven?
Met Pasen ben ik een paar dagen op Ameland. Ons huisje staat niet ver van de plek waar ooit Excelsior stond en ik neem een kijkje. Herinnert er hier nog iets aan dit stukje sociale geschiedenis? Vanaf camping Duinoord wandel ik in zuidelijke richting en stuit op appartementencomplex Ostrea, een blokkendoos die net zo goed aan de Costa del Sol had kunnen staan. Het enige wat over is van het socialistische vakantiehuis is het weggetje van rode klinkers dat het vakantiehuis ooit verbond met de Strandweg: de Excelsiorstraat.

Als ik mijn zus vertel hoe jammer ik het vind dat alles is verdwenen, zegt ze: “Het woonhuis van Excelsior bestaat nog, het staat in de polder.” Op tweede paasdag rijden we ter hoogte van de Ballumerbocht de polder in. En daar staat inderdaad een huis dat sprekend lijkt op het oude Excelsior.
Later vind ik op internet dat het huis in 1993 is gekocht door de Ballumer Piet Nobel. Hij heeft het destijds over het strand laten vervoeren van Nes naar de parkeerplaats bij de strandovergang van Ballum, waar het een tijdje heeft gestaan in afwachting van de juiste vergunningen. Het is nu een vakantiehuis voor acht personen, een houten huis met witte kozijnen. Het dak is niet bedekt met riet, maar met gewone dakpannen.
Op Youtube staat een filmpje van het vervoer van het huis van het strand naar de polder.

zondag 17 maart 2013

De verhalen van een landschap

Tim Robinson bracht West-Ierland in kaart

Ieder landschap is verbonden met de geschiedenis van zijn bewoners. De mensen gaven namen aan de nederzettingen die ze vormden, aan de paden die hun dorpen met andere dorpen verbond, aan de rivieren en de meren, aan de plek waar hun vee graasde, aan de heuvel waar ze de galg oprichtten. Het landschap is nauw verbonden met al deze verhalen. Een schrijver en cartograaf die het op zich heeft genomen alle verhalen over het landschap uit zijn omgeving minutieus te verzamelen is de Engelse schrijver Tim Robinson (1935) die in 1972 van Londen verhuisde naar een van de Aran Eilanden aan de Ierse westkust.


Roundstone
In de eerste week van maart verbleef ik een week met een groep schrijfcursisten in Letterdyfe House in het Ierse dorpje Roundstone, in het district Connemara. Organisator van de schrijfreis en mede-schrijfdocent Henk Weltevreden had een ontmoeting gearrangeerd met Tim Robinson die sinds 1984 met zijn vrouw Mairead in een geel huis in Roundstone woont, direct aan de baai. Robinson vertelde ons over zijn werk en maakte met ons een wandeling over het eiland Inishnee in Roundstone Bay.

Aran-eilanden
Tim Robinson (1935) studeerde wiskunde in Cambridge en doceerde dit vak in Istanbul, Wenen en Londen. Toen hij in 1972 verhuisde naar de Aran-eilanden dacht hij hier de rust te vinden om een roman te schrijven. Maar in plaats van rustig aan een bureau te gaan zitten schrijven, maakte hij iedere dag lange wandelingen over het eiland. Na een paar weken vroeg de eigenaresse van het plaatselijke postkantoor hem of hij niet een kaart van het eiland kon maken. En met die vraag vond Tim Robinson zijn bestemming. Hij bracht de Aran-eilanden minutieus in kaart en ging op zoek naar de herkomst van de namen van iedere plek. De verhalen kregen een plaats in het boek ‘Stones of Aran’ dat uit twee delen bestaat: ‘Pilgrimage’(1986) en ‘Labyrinth’ (1995). Het is het Nederlands vertaald als ‘De Aran-eilanden’.
Nadat hij de Aran Islands in kaart had gebracht, verhuisde Tim Robinson naar Roundstone en ging op dezelfde manier aan de slag met Connemara en The Burren. Over Connemara schreef hij drie boeken, waarvan het eerste in het Nederlands is vertaald door Gerrit-Jan Zwier als ‘Connemara. Luisterend naar de wind’.


Mistflarden
In ‘Connemara. Luisterend naar de wind’ neemt Robinson ons mee op zijn wandelingen rondom Roundstone. Hij vertelt over de melkwei die vroeger hoog op de heuvel lag, waar het vee ’s zomers naartoe werd gebracht en waar ’s avonds werd gedanst. Hij vertelt over de plekken waar jongens en meisjes elkaar stiekem ontmoeten, hij vertelt over de graven uit de hongertijd. De informatie heeft hij verzameld door alle ouderen in de omgeving te bevragen naar de verhalen en liederen die zij weer van hun ouders hebben gehoord. Zelf schrijft hij: ‘De overleveringen over het veen die ik van mensen in Roundstone hoor, […] bestaan uit verhalen die als mistflarden over Roundstone Bog heen drijven, die zich nu eens vermengen en daardoor niet duidelijk te zien zijn, zich dan weer een poosje oplossen in de ijle lucht en dan als uit het niets weer zichtbaar worden.’

Meelopen
‘Connemara. Luisterend naar de wind’ is niet een boek dat je in één ruk uitleest. Het liefst zou je met Robinson meelopen over de oude paden rondom Roundstone en met hem meekijken en luisteren naar de verhalen. In de poëtische documentaire ‘Tim Robinson: Connemara’ die filmmaker Pat Collins met en over Robinson maakte, doen we dat en verwonderen we ons samen met hem over de sprookjesachtige schoonheid van West-Ierland.

Je zou willen dat iedere regio zijn eigen Tim Robinson heeft die geduldig het landschap verkent en alle verhalen die hier ooit zijn verteld verzamelt en ze vervolgens zorgvuldig opschrijft. Omdat, zoals Cees Nooteboom schrijft op de achterkant van het boek, ‘hij daardoor de vergankelijkheid van tenminste één plek op aarde heeft opgeheven.’

Informatie: Folding Landscapes

maandag 17 december 2012

‘Atlas Kralingen’ – wegdromen bij historische kaarten

Mijn zoon van zestien legt zijn geschiedenisboek voor me neer. ‘Kijk eens naar deze kaart’, zegt hij. Samen bestuderen we de wereldkaart van Johannes de Armsheim uit 1482. Europa is herkenbaar, evenals het Midden-Oosten. Van Afrika is alleen het noordelijke deel in kaart gebracht en Amerika en Australië bestaan nog niet. Op papier zag de wereld er toen heel anders uit dan nu.

De Oude Dijk
Oude kaarten zijn fascinerend, ik kan er niet genoeg van krijgen. En oude kaarten van mijn eigen woonomgeving zijn helemaal het summum. Daarom ben ik erg blij met ‘Atlas Kralingen, 2,5 km geschiedenis’, van de hand van de Kralinger schrijver/zanger Arie van de Krogt. Het boek is lekker groot - ongeveer hetzelfde formaat als mijn Kleine Bosatlas uit 1969 - zodat de kaarten die Van der Krogt heeft verzameld goed tot hun recht komen. Aan de hand van historische kaarten volgt Van der Krogt het veranderingsproces van Kralingen, de wijk aan de oostkant van Rotterdam waar ik nu vier jaar woon.
Op de kaart uit 1100 zien we de Oude Dijk al. Vanaf deze dijk, die nog steeds de belangrijkste doorgaande weg is van Kralingen, werd het moeras tussen de Maas en de Rotte ontgonnen. In de achttiende eeuw moet het dorp verhuizen. Het land rondom is afgegraven voor turf en de plassen maken het dorp onbereikbaar en zorgen voor een voortdurende dreiging. Kralingen schuift dichter naar Rotterdam toe en begint opnieuw op de plek waar nu de Hoflaankerk staat. Het oude kerkhof van het dorp blijft waar het is en ligt tegenwoordig midden in de nieuwbouwwijk Prinsenland.
In 1895 verliest de gemeente Kralingen haar zelfstandigheid en wordt geannexeerd door Rotterdam.

Witte plekken
Van der Krogt heeft de geschiedenis van Kralingen verdeeld in zeven periodes. Van iedere periode is een kaart van het begin en een van het einde opgenomen. Ons huis is gebouwd in 1913. Op de kaart uit 1895 waarmee het vijfde hoofdstuk begint, bestaat onze straat, de Vredehofweg, dus nog niet. De Korte Kade, hier om de hoek, heeft wel een lange geschiedenis, de straat staat al op een kaart uit 1611.
De Vredehofweg staat wel op de kaart uit 1941 waarmee het zesde hoofdstuk begint. Schuin tegenover ons huis, waar nu een school en een gymlokaal staan, is dan nog een gemeentekwekerij. Maar het meest opvallend op deze kaart zijn de grote witte plekken. De eerste bommen van 14 mei 1940 vielen op Kralingen en verwoestten bijna een kwart van de wijk. Straten verdwenen en kwamen niet meer terug. Wie nu op de Gerdesiaweg staat en zich met een kaart van voor 1940 probeert te oriënteren, zal geen aanknopingspunten vinden.

Nog aantrekkelijker
Naast prachtige historische kaarten bevat het boek vele prenten, schilderijen en foto’s en wordt ieder hoofdstuk verluchtigd met een gedicht of lied uit de betreffende periode. Het laatste hoofdstuk sluit af met het lied ‘Vlinderbuurt’ van Van der Krogt zelf. In het slothoofdstuk ‘Kom op Kralingen!’ fantaseert Van der Krogt erover hoe Kralingen nog aantrekkelijker kan worden. Hij laat zich hierbij inspireren door de geschiedenis van het gebied en door andere steden. Waarom geen molengang van acht molens langs de Gordelweg? Waarom geen Hollands landschap à la Reeuwijk bij de Gerdesiaweg? En waarom geen wandelpromenade langs de Maas, met heerlijke terrasjes zoals in Berlijn of Buenos Aires?

‘Atlas Kralingen’ is een boek om vaak door te bladeren, om steeds weer nieuwe dingen te ontdekken op de kaarten en om bij weg te dromen en te fantaseren over het Kralingen van vroeger en het Kralingen van de toekomst.

vrijdag 9 november 2012

Jan Drenthe

Vorige maand maakte ik samen met Albert Haar een interview met Jan Drenthe van het Tractor en Werktuigenmuseum in Valthermond. Het museum komt voort uit het bedrijf dat Jan Drenthe hier tot 1980 runde, samen met zijn vrouw Jo. De verhalen van Jan Drenthe zijn nu op film opgenomen. Binnenkort zal in het museum te zien zijn hoe de collectie tot stand is gekomen en waarom het zo’n mooie illustratie is van de naoorlogse ontwikkelingen in de landbouw. Tijdens het Drents Museumcongres op 19 november in Roden wordt de website www.museaindrenthe.nl gelanceerd, met daarop ook het museum van Jan Drenthe.

Smederij

Jan Drenthe werd in 1926 geboren in Ter Apel. Twee jaar later verhuisde hij naar Valthermond, waar zijn vader een kleine smederij begon. In 1939 werd Jan van school gehaald omdat hij zijn vader moest helpen: “Mijn broers mochten leren, maar ik was de handigste dunkt mij en moest mijn vader helpen.”
In 1951 verhuisde het bedrijf naar de plek waar het museum nu is. Achter het huis is een grote loods waar alle tractoren staan opgesteld. In de schuur daarnaast zit de smederij.
Jan’s vader maakte daar eenscharige ploegen, vertelt Drenthe: “Daar had hij een dag voor nodig. Hij begon ‘s ochtends om een uur of zes en was tegen de avond klaar. Over een tweescharige ploeg deed hij anderhalve dag. Mijn moeder verfde ze later op. In het begin hebben we ook nog wel paarden beslagen, maar rond 1960 was dat echt afgelopen.

Marshallhulp
Dat had alles te maken met de landbouwmechanisatie. Voor de oorlog had een boer met twintig hectare grond twee of drie arbeiders in dienst..Na de oorlog was dat al snel niet meer op te brengen doordat de lonen razendsnel stegen. Bovendien werd er in 1951 met steun van de Marshallhulp een borgstellingsfonds opgericht, als stimulans voor boeren die zelf onvoldoende middelen hadden om te investeren.
Er werden duizenden trekkers ingevoerd, het meest Amerikaanse, zegt Drenthe: “Wij kochten en verkochten onze eerste tractor in 1947.Dat was nog een heel gedoe, omdat we daarvoor een vergunning nodig hadden. Een bureauhouder, meestal een grote boer die actief was voor de gemeenschap, beoordeelde of je voor een tractor in aanmerking kwam. Zelf had hij er natuurlijk als eerste in Valthermond een. Wij gaven ons op als loonwerker en toen kregen wij er ook een, een Farmall voor 2600 gulden. We hebben die vrij snel doorverkocht. Dat mocht eigenlijk niet, maar we konden ‘m nauwelijks betalen. Het was het begin van de handel. In tien jaar tijd hadden alle boeren in Valthermond een tractor.

McCormick tractoren
“Achter die allereerste tractoren”, vervolgt hij, “kwam gewoon een paardenwerktuig. In het begin zag je zelfs dat een dat een boer achter de ploeg bleef lopen, zoals je dat ook bij een paard doet. Tractoren werden alleen gebruikt om te trekken. Pas veel later kregen tractoren ook een hydraulische hefinrichting, waardoor de werktuigen er echt aan gekoppeld konden worden.”
In Amerika was de mechanisatie al ver voor de oorlog op gang gekomen . Een grote producent als McCormick liep daardoor ook voorop in de vormgeving van de tractoren. Het bedrijf werkte samen met Raymond Loewy, een belangrijke ontwerper die ook verantwoordelijk was voor de vormgeving van de merken Coca Cola en Lucky Strike. Door Loewy werden na 1938 alle McCormicktractoren in dezelfde kleur rood geleverd.

Graan en aardappelen
In een tweede loods staan de landbouwwerktuigen opgesteld. Een van de mooiste machines is de Osbourne Reaper, een graanmaaier die al aan het einde van de negentiende eeuw in Amerika gebruikt werd. De grootste is een combine uit 1959, een van de eerste machines die het graan kon maaien en kon dorsen. Aan de zijkant is goed te zien hoe het ding in elkaar zit, wat natuurlijk levensgevaarlijk was.
Jan Drenthe: “Onvoorstelbaar dat het zo kon, zo open en bloot. Zo’n machine smeren, dat deden ze gewoon terwijl die draaide. Er zijn zoveel ongelukken mee gebeurd. Regelmatig verloren mensen hun handen of werden er vingers afgesneden.”
Verderop staan de werktuigen die gebruikt werden bij de aardappeloogst. Het zijn slimme machines die met kleine aanpassingen tijdens alle fasen van de aardappelteelt ingezet konden worden. Aardappelrooimachines hebben ervoor gezorgd dat vrouwen niet meer nodig waren op het land. Jan Drenthe: “Vroeger werkte het hele gezin op het land, op een rij, de kleinste kinderen het dichtst bij hun moeder. Dat is gelukkig afgelopen.”

Restauratie
In 1980 stopte Jan Drenthe met zijn bedrijf. Hij begon tractoren en landbouwwerktuigen te verzamelen, samen met zijn zoon Arend.
“In de vakanties deden we aardappelen en brood in de kofferbak en zo gingen we op strooptocht in Frankrijk. Daar zag je die dingen overal langs de weg staan. Als een trekker ingeruild is, zit er geen zitting meer in, de lampen zijn eraf, de motorkap is los. Al die dingen kun je als onderdelen gebruiken. Ik ben smid, ik kan wat lassen, spuiten, uitdeuken, schuren, plamuren… Zo’n trekkertje, daar gaf ik niks voor, maar we hebben er wel voor 5000 dollar aan onderdelen bij moeten kopen. Bovendien zit er meer dan 500 uur in. Maar het ding doet het wel weer.”

Tractor en werktuigenmuseum Jan Drenthe

vrijdag 5 oktober 2012

Rood Rotterdam

Kees Rijken werd in 1908 geboren als zoon van een havenarbeider. Ik ontmoette hem in 1984 in Hillesluis, waar ik stage liep als jeugdwelzijnswerker. Hoe ik bij hem terecht kwam, en of die ontmoeting bij hem thuis of in het buurthuis plaatsvond, weet ik niet meer. Wel herinner ik me dat ik gefascineerd was door de politieke collages die hij maakte. Veel zwart-wit afbeeldingen met daarop mensenmassa’s die onderdrukt werden door het kapitaal, over de dreiging van kernwapens. Hij noemde zichzelf een arbeiderskunstenaar.
Toen we vorige maand met de Stichting Rotterdam Vertelt bezig waren met de samenstelling van een programma over politiek, moest ik weer aan Kees Rijken denken. Ik was zijn naam vergeten, maar kreeg gelukkig het boek 'Rood Rotterdam in de jaren dertig' onder ogen. Daarin komen linkse kopstukken uit het interbellum aan het woord en Rijken is een van hen.

De jaren dertig
'Rood Rotterdam' is een uitgave van de inmiddels verdwenen krakersuitgeverij Raket en de interviews zijn gemaakt door een collectief. Het is niet duidelijk wie daar deel van uitmaakten. Aan de hand van een aantal thema’s (wonen, werken, politiek leven, antifascisme acties en Spanjeacties) komen er in het boek socialisten, communisten en anarchisten uit de jaren dertig aan het woord. Rijken vertelt onder andere over huurstakingen en onderkruipers, over de steun (en hoe hij controlerende ambtenaren bijna zijn huis uitsloeg), over de werkverschaffing. Hij haalt Marx aan, die al zei dat de ontwikkeling van het kapitalisme z’n eigen graf graaft: het brengt arbeiders bij elkaar die zich in dezelfde slechte situatie bevinden. Daardoor vormen ze vanzelf een machtsfactor. Zelfs als ze werkloos waren. Een citaat:

Er stempelden tweeduizend mensen aan zo’n stempellokaal, elke dag weer opnieuw. Het waren altijd dezelfden en je kende elkaar. Je wist: dat is een fascist, dat is een katholiek enzovoort. Ik stond een keer in het stempellokaal met Geert van Oorschot, de schrijver, hij was van de OSP (Onafhankelijke Socialistiese Partij). We stonden te diskussiëren en het schuim stond op z’n bakkes. Afijn, een grote ploeg volk erom heen. En daar komt die politieagent aan: “Jij altijd Rijken, jij altijd met dat gelazer, dat sombere over daar komt de oorlog. Jij staat hier de mensen maar wat wijs te maken. Donder op!” Die ploeg werd uit elkaar geslagen. Laat nou die vent het eerste slachtoffer zijn van de Duitsers op de Koninginnebrug. Hij hielde die Duitsers met zijn revolver tegen, toen ze daar uit de Maas kwamen, in mei 1940. Dat is godverdomme wat.
(Rood Rotterdam, 83-85)

Kees Rijken was zijn leven lang actief als socialist, anarchist, communist en vakbondsman. Zijn archief wordt bewaard bij het IISG. Daar vind ik zelfs een aantal foto’s, een er van roept een vage herinnering aan hem op. Het boek 'Rood Rotterdam' is integraal op de website Onvoltooid Verleden terug te vinden.

Marc: Rijken, Kees.