dinsdag 9 december 2014

Tien jaar jeugdzorgbeleid Stadsregio Amsterdam


Het afgelopen jaar werkte ik aan een aantal publicaties in opdracht van het ambtelijk team jeugdzorg van de Stadsregio Amsterdam. Daarover hield ik op 1 december 2014 een presentatie op de jeugdzorgconferentie ‘Lessons Learned’. Dit blog is een weergave daarvan.  

Veilig opgroeien

Historisch gezien is tien jaar een korte periode. Toch wilde de Stadsregio Amsterdam graag een publicatie waarin werd vastgelegd wat haar rol in die tien jaar is geweest - omdat die niet altijd even zichtbaar was. Want hoe laat je als subsidiegever zien wat je rol was bij het tot stand komen van een veilige leefomgeving voor kinderen of aan kwaliteit van jeugdzorg?  De publicatie moest ook een bedankje worden voor de wethouders, gemeenteraadsleden, ambtenaren en regiobestuursleden die mee hadden gewerkt. Een terugblik en een poging om inzicht te geven in het veld van de jeugdzorg – zo dat gemeentes er na 1 januari voordeel mee kunnen doen.
 

Boefje

In het boekje over 100 jaar jeugdzorg in Rotterdam dat ik jaren geleden schreef, speelde Boefje een grote rol. Een jongetje dat woonde in de Zandstraat, toen een van de slechtste straten van Rotterdam. Hij stal appels en peren en kwam zo in aanraking met de rechterlijk macht. Via Pro Juventute kreeg hij een voogd toegewezen die hem begeleidde. Dat gebeurde niet met instemming van de ouders – ook toen al was het wederzijdse wantrouwen groot. Het bestuur van Pro Juventute schreef in het jaarverslag van 1901: 

Zonder onze tussenkomst zou zeker tot een volslagen misdadiger zijn opgegroeid een jeugdige delinquent van elf jaar, die zich aan diefstal had schuldig gemaakt en nu thuis onder de bedstede werd opgesloten gehouden. Hij kon lezen noch schrijven. De aan hem toegevoegde patroon besteedde zeer veel moeite aan hem; toen het bleek dat de knaap zich onmogelijk kon schikken naar de orde op eenige school, ontving hij hem geregeld op zijne kamer, deed wandelingen met hem en liet hem gratis privaatles geven.

De patroon in kwestie was de beroemde schrijver en journalist M.J.Brusse, die ervoor zorgde dat er veel meer aandacht kwam voor de armoedige leefomstandigheden en de problemen van de jeugd. Boefje heeft zo erg bijgedragen aan de belangstelling voor het werk van de kinderbescherming. In feite was hij het eerste jeugdzorgkind dat landelijke bekendheid verwierf.

Digitale bronnen

Terug naar Amsterdam, naar deze tijd. In januari van dit jaar begon met het zoeken naar bronnen. Op de website van de Stadsregio vond ik Regionale Uitvoerings Plannen en jaarverslagen, ik las oude nummers van Regio journaal en Jong aan de Amstel, ik mailde de instellingen met de vraag om brochures, jaarverslagen en ander materiaal. Veel mooi of bijzonder materiaal was verdwenen, opgeruimd bij een verhuizing. Een enkele keer kreeg in het archief van de Stadsregio een stuk in handen dat zij bij toeval vonden. Wat we wilden, was laten zien hoe het beleid zich in de afgelopen tien jaar had gevormd. Welke afwegingen hadden de makers van dat beleid? Wat was er gemakkelijk of juist heel moeilijk tot stand gekomen? Interviews en persoonlijke notities bleken een welkome aanvulling op de officiële bronnen. 

Oral history

Voor deze publicatie sprak ik met tal van mensen die werkzaam zijn in de jeugdzorg. En gaandeweg werd weer eens bevestigd hoe ingewikkeld het is om de jeugdzorg te organiseren. Er zijn veel partijen bij betrokken en de belangen zijn groot: als het mis gaat, dan gaat het vaak ook erg mis.
En veranderen moet, want de samenleving verandert voortdurend en de ideeën over wat goed is voor kinderen ook. Maak je een persoon verantwoordelijk voor een kind, en laat je die doen wat hij dunkt dat het beste is, zoals Brusse dat deed, dan ontstaat er vroeg of laat de vraag of er niet meer regels en procedures nodig zijn. Maar zodra dat uit de hand loopt en jeugdzorg een bureaucratische operatie wordt, komt er kritiek op het feit dat er te weinig tijd en aandacht is voor de problemen waar het werkelijk om gaat.

Therapie of trampolinespringen

Still uit een animatiefilm over de Multiprobleemaanpak
Toen in 2005 de Wet op de jeugdzorg intrad was de verwachting dat de versnippering van de hulp zou worden tegengegaan. Er kwam een toegang in de vorm van Bureaus jeugdzorg. Men dacht dat er meer kinderen geholpen zouden kunnen worden voor minder geld en dat gezinnen weer zelf grip zouden krijgen op het hulpverleningsproces. De Stadsregio Amsterdam wilde niet langer instellingen subsidiëren op basis van hun capaciteit, maar vroeg zich af of kinderen zorg kregen die zo licht mogelijk was, kortdurend en dicht bij huis. Daarnaast wilde zij weten of die zorg resultaat had of de middelen effectief waren ingezet. Om dat goed te kunnen meten zette Paul Nota, tot 2008 hoofd van het team jeugdzorg, een systeem op van prestatie-indicatoren. Met de inhoud van de zorg bemoeide hij zich verder niet. Hij zei daarover: “Het gaat mij erom  of het stelsel van jeugdzorgvoorzieningen ervoor zorgt dat er gebeurt wat er moet gebeuren. Of kinderen geholpen worden door gesprekstherapie of door trampolinespringen, dat mogen de zorginstellingen zelf bepalen.”

Multiprobleemgezinnen

Van de instellingen werd wel gevraagd om samen te werken. Nieuw was de aanpak Multiprobleemgezinnen: gezinnen met een langdurige en complexe problematiek waarin soms wel twintig hulpverleners actief waren. De regel: een gezin, een hulpverleningsplan was het uitgangspunt en de hulp werd gecoördineerd vanuit de gemeente.
Cartoon: Wim Stevenhagen, uit: Jong aan de Amstel
Het team jeugdzorg van de Stadsregio Amsterdam had een grote rol in het stimuleren van deze aanpak, vertelde Christine Pollmann, sinds 2010 hoofd van het team jeugdzorg: “We leerden van het extra geld dat er was voor de wachtlijsten, dat dit niet altijd leidt tot duurzame oplossingen. Daarom zijn we na 2010 sterker gaan sturen op inhoud.”  
Dat was natuurlijk ook te danken aan een wethouder zoals Asscher, die van het begin af aan Kinderen eerst als motto had. Asscher was een groot voorstander was van Eigen Kracht conferenties voorafgaand aan de hulpverlening. De invoering daarvan en de bezuiniging die daarmee gepaard ging had grote gevolgen voor een aantal instellingen. Maar het was wel consequent vanuit de gedachte: het gezin moet zelf verantwoordelijk zijn voor hun problemen.

 

Jeugdzorg bij de gemeentes

Na 1 januari zal de jeugdzorg ondergebracht worden bij de gemeentes. Daarmee zullen zij dichter op de problemen van kinderen zitten. Wethouder Aboutaleb pleitte daar al voor in 2005, toen bleek dat hij niets te zeggen had over de uithuisplaatsing van zeven kinderen van een stadsnomade die in caravans voor de poorten van de gekraakte scheepswerf ADM verbleef.  
Nu bestaat de vrees dat gemeentes juist te veel over hun burgers te zeggen zullen krijgen, juist omdat ze op alle onderdelen van het bestaan iets over hen te zeggen hebben. Niemand wil terug naar de bevoogding van vroeger en we hebben niet meer te maken met notabele burgers die zich zorgen maken over losgeslagen knapen, maar met goed opgeleide hulpverleners die weten wat wel en niet werkt. Hoopgevend zijn ook de experimenten waarin de Stadsregio gemeentes liet experimenteren met hun nieuwe rol als opdrachtgever in het hulpverleningsproces.

Tot slot

De digitale publicatie die de Stadsregio Amsterdam vandaag presenteert, is het verslag van een ingewikkeld proces dat in feite een voorbode was van veranderingen die per 1 januari 2015 definitief zullen zijn. Het is geen uitputtend verslag maar de weergave van hoe het jeugdzorgbeleid in de afgelopen tien jaar is bedacht, beschreven en bijgestuurd. Door de vele verwijzingen is het bijna een archief op zichzelf.

woensdag 27 augustus 2014

Collectie Wereldmuseum hoort bij Rotterdam

De collectie van het Wereldmuseum verdwijnt. Van de 100.000 stukken blijft nog maar een klein deel onderdeel uitmaken van de collectie. De huur van het depot is opgezegd en de stukken staan opgeslagen bij de gemeente. Waarom is dat erg?

Deskundigheid

Vanaf het moment dat ik dertig jaar geleden in Rotterdam kwam wonen, kwam ik regelmatig in het Museum voor Volkenkunde. Toen was het een niet al te groot museum waar niet alleen ik, maar ook  andere Rotterdammers geregeld een zondagmiddag doorbrachten. We zagen er Dromen van het Paradijs, over de schoonheid van islamitische kunst en we dwaalden er over de Asmat- en Afrikatentoonstellingen. De Asmatcollectie is een van de belangrijkste in de wereld en er werd goed en integer voor gezorgd. Papoea’s kwamen naar Rotterdam en zagen dat hun voorouders, van wie de schedel verborgen zat in Korwarbeelden, rust hadden gevonden. Je kunt dat onzin vinden, maar ook bedenken dat het daar misschien wel om gaat: respect hebben voor een wereldbeeld dat het jouwe niet is. Jan Wolkers zei eens bij een tentoonstelling: ‘Natuurlijk doet het ertoe dat je slaapt op de schedel van een voorouder. Dat is bepalend voor de manier waarop je in het leven staat.’
Poster uit 2005 -toen het museum 125 jaar bestond -
met verhalen voorwerpen uit de collectie.
Ontwerp: Tangerine Design.
Een tijd geleden was ik met een groep studenten in het museum. Een jongen met een Indonesische achtergrond was geschokt omdat er een kris in een vitrine hing. Dat hoort niet, een kris moet op de grond staan. In het museum ontbreekt blijkbaar de deskundigheid ontbreekt om dat op te merken.

Cultuur op waarde schatten

De collectie biedt aanknopingspunten die de blik van Rotterdammers op de wereld kunnen verruimen. In een stad die zoveel verschillende culturen herbergt, is het belangrijk dat er een plek is waar je kennis kunt maken met de achtergrond van mensen die anders zijn, denken en leven. Zo leer je ook je eigen achtergrond relativeren, of juist op waarde te schatten.  
De collectie van het Wereldmuseum hoort bij Rotterdam. De eerste stukken zijn meegekomen met handelsgoederen uit Indonesië, Afrika, Brazilië. Rotterdam verdiende veel geld met die handel, en een klein deel van het ruim was soms ingericht voor bijzondere voorwerpen uit den vreemde. Zo konden Rotterdammers er kennis mee maken en er van leren. Een deel kwam mee met de bijzondere dieren die voor Blijdorp werden aangekocht. Ik sprak eens een man die als klein jongetje hele middagen in de dierentuin had gespeeld met de bisjpalen en andere voorwerpen die nu een belangrijke plek in het museum innemen. Later werd hij een belangrijke kunstverzamelaar. Dat kan geen toeval zijn.

Een wereldhavenmuseum

De collectie is voor een deel een negentiende-eeuwse collectie en wellicht hoeft niet alles bewaard te blijven. Maar laat mensen met verstand van zaken daar dan een beslissing over nemen. Ik vraag me ook af of de collectie niet gepresenteerd zou kunnen worden in samenwerking met het Maritiem Museum. Vroeger hoorden die musea bij elkaar en eigenlijk past dat ook wel: tentoonstellingen over de haven, waar ook te zien is wat er zoal via die schepen binnenkwam. Waar alle Rotterdamse kinderen tenminste een keer in hun schoolcarrière komen en zien dat de wereld veel groter is dan de wijk en de stad waar zij wonen. En dan niet via de televisie of via internet, maar door het zien van echte voorwerpen uit een wereld lang geleden en ver weg, die toch iets vertellen over hoe de wereld in elkaar zit.

De kunstenaar Olphaert den Otter is een publieksactie gestart om de collectie van het Wereldmuseum te redden voor de stad Rotterdam. Steun hem! https://www.facebook.com/olphaert.otter 

donderdag 24 juli 2014

Gastblog: Fallen airmen

Op de begraafplaats in Markelo, Twente, liggen de vliegtuigbemanningen van drie gecrashte bommenwerpers uit de tweede wereldoorlog begraven. Op 4 mei werden zij uitgebreid herdacht, onder andere door een Lancaster bommenwerper uit Engeland enige keren een flypast over de graven te laten maken. De stichting ‘Fallen Airmen Markelo Memorial’ , die de flypast organiseerde, had zes jaar eerder het wrak van een Hercules stermotor uit een Short Sterling bommenwerper geplaatst als monument, op de plek waar in 1943 en dergelijk toestel was neergekomen. De andere twee bij Markelo neergekomen bommenwerpers waren een AVRO Lancaster en een Handley Page Halifax.

Jan Beijering is werktuigbouwkundige, was tijdens zijn dienstplicht reserve officier bij de Koninklijke Luchtmacht en werkte daarna o.a. als Senior Consultant bij TNO Industrie te Apeldoorn. Hij zocht uit wat er in 1943 precies is gebeurd en verbaasde zich over de gigantische aantallen vliegtuigen die er tijdens de tweede wereldoorlog zijn geproduceerd.

Grootschalige bombardementen

Tijdens hun offensieven in 1939 en 1940 voerden de Duitsers terreurbombardementen uit op Warschau en Rotterdam om zo hun tegenstanders tot capitulatie te dwingen. Vanaf september 1940 dreigden ze de slag om Engeland te verliezen. In een poging de bevolking te demoraliseren begonnen ze Britse steden zeer intensief te bombarderen. Tevergeefs, de Nazi’s kregen het luchtruim boven het kanaal niet onder controle en Engeland bleef vrij.
De Britten van hun kant gaven Duitsland vanaf september 1939 tegenvuur met zeer gerichte bombardementen. Aanvankelijk werden alleen militaire en industriële doelen gevisiteerd, later ook steden. In de zomer van 1942 vielen de Verenigde Staten, die vanaf december 1941 bij het conflict betrokken waren, vanuit Engeland en later vanuit Noord Afrika en Italië aan. Vanaf 1943 sloegen Groot Brittannië en Amerika de handen ineen en stelden zij een gezamenlijk actieplan op. De Britten zouden ’s nachts de stedelijke gebieden bombarderen, de Amerikanen namen overdag militaire en economische doelwitten onder vuur. Sommige steden, zoals Hamburg, kregen letterlijk een vuurstorm over zich heen en honderdduizenden burgers bleven dood, gewond of dakloos achter. Bij het leggen van bommentapijten waren tot 1000 vliegtuigen betrokken in een enkele missie. De grootste strategische bombardementen waren Keulen (30-31 mei 1942) Hamburg (24 juli-3 augustus 1943) en Dresden (13-14 februari 1945).
Dat grootschalige is, zeker aan de kant van de geallieerden, heel typerend voor de 2e wereldoorlog geworden. Het had, zoals gezegd, de bedoeling steden volkomen plat te gooien en in vuurzeeën te doen veranderen. Zo wilde men de bevolking murw maken en de vijand op die manier op de knieën krijgen. Ontzagwekkend is de gigantische productie van de aantallen vliegtuigen tijdens de tweede wereldoorlog. Men was in staat om in relatief korte tijd duizenden vliegtuigen te produceren.

De vliegtuigmotor in Markelo

De motor die in Markelo als monument staat opgesteld is vermoedelijk een type 2 van Bristol Hercules uit een Short Stirling MK 1. De Stirlings waren niet al te succesvol in hun operaties omdat ze in het begin al beknot werden op hun spanwijdte, dat zou 112 feet ( ongeveer 34 meter) zijn, maar omdat ze dan niet in de hangars pasten werd het ingekort, daardoor werden ze beperkt in vlieghoogte en vliegafstand. De machine is met zijn zevenkoppige bemanning in 1943 getroffen door de Duitse FLAK (Flugabwehrkanone) en vervolgens door een Messerschmitt jager op grote hoogte in brand geschoten. De opgestelde motor is niet uit één die uit de neergekomen bommenwerper stamt maar is afkomstig van een Short Sterling die in 1941 in Opmeer is neergestort en in 2003 is opgegraven en beschikbaar gesteld door de Aircraft recovery Group uit Heemskerk.

Het 'Markelose' toestel was op 23 juni 1943 opgestegen van Newmarket, 100 Km boven Londen in Engeland om met nog 557 geallieerde bommenwerpers de stad Mülheim in het Ruhrgebied in Duitsland te bombarderen. Nog voordat de bomlading kon worden gelost werd het vliegtuig neergehaald. Uit onderzoek blijkt dat in 1943 de verliezen van de Stirling erg hoog waren, elke missie kostte 10-15 procent verliezen. De verliezen van andere bommenwerpers zoals de AVRO Lancaster en de Handley Page Hallifax (beide voorzien van Rolls Royce Merlin 12 cilinder 27 liter V motoren, waarvan er 150 000 zijn gebouwd, vermogen 1400-1500 PK, zeer betrouwbaar, veel uitvoeringsvormen) waren aanzienlijk geringer.

Bemanningen

Overigens was dat grootschalige bombarderen iets dat volkomen nieuw was. Tot de tweede wereldoorlog bood de luchtvaart voornamelijk luchtsteun bij operaties te land en ter zee. De bemanningen van de bommenwerpers waren veelal jonge jongens tussen de 19 en 22 jaar. Niemand liep in de oorlog meer gevaar dan deze bemanningen. De Verenigde Staten verloren tussen 1942 en 1945 één op de acht jonge mannen die meevlogen, in totaal 26000 man. Veertigduizend raakten die gewond, werden neergeschoten en of krijgsgevangen gemaakt. De Britten verloren 56000 bemanningsleden waarvan de helft in nachtelijke missies. Wie waren deze jongens? In het boek Vliegen, een eeuw luchtvaart van R.G. Grant staat dat de bemanningen aan het begin van de oorlog vaak slecht getraind waren. Afgezien van de piloten bestonden ze vaak uit jonge mannen die bij de luchtmacht waren gegaan om een vak te leren. Ze hadden getekend voor een vliegende functie om het extra salaris. Naarmate de opleidingen beter werden vulde de specialistische kennis van de navigator, marconist, bommenrichter en schutters die van de piloot aan.

De bemanningen waren vaak hechte teams met onderlinge vriendschapsbanden van een unieke kwaliteit. Het vliegen van een zwaar beladen Lancaster of Halifax was geen geringe klus, ijsafzetting was een bron van zorg en het terecht komen in een onweersbui was een nachtmerrie. Vliegen in formatie met bommenwerpers vergde op zich al grote bekwaamheid er was altijd het gevaar van een botsing in de lucht. Ook was er het gevaar om geraakt te worden door een bom die van een hoger vliegend vliegtuig vielen als ze boven het doel waren.

Grootvaders

De grootschalige bommentapijten met adequate vliegtuigen waren typisch voor de tweede wereldoorlog. Nooit meer zijn op een dergelijke schaal bommenwerpers gemaakt en nooit meer zijn er zoveel jonge mannen uit de lucht gehaald. Verder gaande technologische ontwikkelingen leveren steeds meer nauwkeurig te besturen wapens op. Daardoor heeft de aanvallende partij te maken met minder gesneuvelde militairen en vallen er minder burgerslachtoffers vallen. Bombardementen in Irak worden tegenwoordig vaak uitgevoerd met onbemande drones door jonge soldaten die in Amerika zitten, alsof ze games spelen. De vliegers uit de tweede wereldoorlog hadden hun grootvaders kunnen zijn, als ze niet rond hun twintigste gestorven waren. Zeventien van die jonge mannen liggen begraven in Markelo.

Jan Beijering

vrijdag 22 november 2013

Alkayida




Al een tijdje ben ik gefascineerd door deze hit van de Ghanese rapper Guru. Nadat ik 'm een keer op dansles hoorde bleef het in mijn hoofd zitten. En niet alleen in het mijne: op internet lees ik dat Alkayida - een variant op Asonto, een dansvorm die tot het Ghanese culturele erfgoed hoort- is uitgegroeid tot een dansrage die van Afrika is overgewaaid naar Amerika. Dat terwijl je toch echt denkt: Alkayida, dat klinkt wel erg als Al Qaeda. En ja, dat betekent het ook. Hoe zit dat?

Volgens de danslerares is het nummer gemaakt door een stel mafkezen die het leuk vonden om iets met zo’n beladen woord te doen. Provoceren dus. Een beetje spotten met de westerse angst voor islamitisch fundamentalisme, zegt een blogger die wordt aangehaald in een MTV-blog. Anderen zoeken er minder achter, volgens hen is er geen politieke boodschap en klinkt alkayida in het Ghanees als ‘Ik ben moe’.  Toch moet de bron iets te maken hebben met islam, want in veel youtube-filmpjes dansen mensen in Arabische kleding de Alkayida.

Ondertussen is het nummer van Guru heel aanstekelijk en heeft het bijbehorende filmpje een vrolijkheid die onweerstaanbaar is. Ideaal voor een dansles op vrijdagochtend middenin Rotterdam.

Guru- Alkayida (Boys Abr3) [Official Video]

woensdag 9 oktober 2013

Beroemd maar berooid gestorven


Hans Goedkoop, presentator van het televisieprogramma Andere Tijden, promoveerde in 1996 cum laude op de biografie Geluk. Het leven van Herman Heijermans. Het biografisch leesgenootschap bespreekt deze biografie op 2 januari 2014.

Heijermans overleed in 1924 als een beroemd maar berooid schrijver. Voor zijn fans belichaamde hij de droom van het socialisme. Zijn bekendste werk is het toneelstuk Op Hoop van Zegen, dat wereldwijd werd gespeeld. Willy las het boek en werd erdoor geraakt.

“Heijermans leidde een interessant leven en Goedkoop beschrijft dat als een mooi drama. Hij was een geniaal schrijver, sociaal bewogen, wilde van alles maar kreeg dat nooit goed voor elkaar. Zo huurde hij ooit een groep spelers omdat hij er van overtuigd was dat hij een opdracht zou krijgen van de Stadsschouwburg. Dat gebeurde niet en Heijermans ging vervolgens bijna failliet aan dat eigen gezelschap. 
Uiteindelijk kreeg hij wel erkenning voor zijn schrijverschap, maar hij is er nooit rijk van geworden. Hij was actief voor de SDAP maar is nooit geholpen door de partij. Pas na zijn dood heeft de SDAP zijn weduwe financieel ondersteund. Ik zou niet goed weten met wie je Heijermans zou kunnen vergelijken. Brecht misschien, die ook sociaal bewogen was. Of Steinbeck met zijn romans over gewone mensen. Regisseur Johan Simons is geen schrijver, maar maakte wel stukken over bijvoorbeeld Brabantse varkensboeren.”

Willy Hilverda schreef Schrijven voor theater, 13 methodes, dat verschenen is bij Atlas-Contact. Op Geschiedenis24 is een verslag te zien van de begrafenis van Herman Heijermans, met commentaar van Hans Goedkoop.

Het Biografisch Leesgenootschap bespreekt het boek over Heijermans op donderdagavond 2 januari 2014 in de Rotterdamse Salon

woensdag 28 augustus 2013

Slapen op een strozak

Tijdens onze vakantie deze zomer in Portugal kwamen we terecht op de camping van São Jacinto, op het schiereiland dat voor de kust van Aveiro ligt. Het meest opvallend van deze eenvoudige camping waren zes pastelkleurige huisjes die meteen associaties opriepen met de jaren vijftig en zestig. De beheerder van de camping vertelde ons dat de camping zestig jaar oud is en de huisjes vijftig jaar.

Oudste camping
Omdat mijn grootouders niet kampeerden en mijn ouders pas na de oorlog oud genoeg waren om er zelfstandig op uit te trekken, heb ik altijd gedacht dat recreatief kamperen pas ontstond aan het eind van de jaren veertig, maar deze vorm van vakantie vieren is al bijna een eeuw oud. In Bakkum gaf de Duitse prinses Von Wied in 1914 toestemming aan een aantal mensen om hun tent op te slaan op haar landgoed. In 1920 verleenden de Provinciale Staten van Noord-Holland, die het domein inmiddels beheerden, een vergunning aan elf dames en negen heren om enige tijd op het landgoed te kamperen. Camping Bakkum claimt de oudste camping van ons land te zijn. Op deze website staan verhalen over geschiedenis van de camping.

Rotterdam aan zee
Een heel mooi inkijkje in de vroege jaren van het kamperen geeft het onlangs uitgekomen boek ‘De houten kampeerstad van Rotterdam aan zee’, waarin Mario Bruijns de geschiedenis van de camping van Hoek van Holland beschrijft. Deze begint in april 1921 als de gemeente Rotterdam de exploitatie van het strand van Hoek van Holland op zich neemt. Mensen mogen een tentje opzetten in het duingebied bij het Stille strand, mits ze een vergunning aanvragen bij de politie. De kampeerders krijgen een plaatsje toegewezen door een agent. Een deel van het terrein - van een camping wordt nog niet gesproken - ligt op het weiland van boer Tukker, zodat er regelmatig een grazende koe ronddwaalt tussen de tenten. Het terrein wordt daarom afgezet met prikkeldraad. Twee keer per week komt een agent langs met water dat de kampeerders tegen betaling af kunnen nemen.
In 1924 gaat het goed met de economie en trekken steeds meer Rotterdammers naar Hoek van Holland. Het terrein wordt steeds meer een echt kampeerterrein met waterkranen, toiletten èn een politiepost. In augustus 1925 staan er al 350 tenten. De meeste kampeerders naaien hun tenten zelf van watervast linnen. Ze slapen op strozakken of op los stro met een deken erover.
Al snel verschijnen de eerste houten huisjes en tegenwoordig is de camping inderdaad een houten stad aan zee. In dit item van RTV-Rijnmond wordt de oudste bewoonster van Rotterdam aan zee geinterviewd.

‘De houten kampeerstad van Rotterdam aan zee’ staat vol prachtige kampeerfoto’s, is een uitgave van uitgeverij Ad. Donker en kost € 19,50.


donderdag 15 augustus 2013

Verhalen halen

Daar zit ik dan. In de etalage van de winkel van Dare to Care aan de Herenplaats, middenin Rotterdam op een doordeweekse dag. Buiten lopen mensen langs die op weg zijn naar de markt. Binnen is het rustig.

Dare to Care is een initiatief van Manja Ellenbroek, die vernieuwende projecten en concepten in de zorg wil stimuleren en ondersteunen. In haar winkel staan bijvoorbeeld een mooi ontworpen rolstoel en een wandelstok die vanzelf blijft staan. Er ligt ook koffer van Facebook at Age (een concept van Mona van Zuilekom). Het idee is dat ouderen een koffer vullen met dierbare herinneringen, zoals jongeren dat doen met hun facebookpagina.
Manja heeft gevraagd of Rotterdam Vertelt een workshop wil geven in het kader van de summerschool die ze organiseert. We vragen mensen naar een persoonlijk verhaal uit de Rotterdamse geschiedenis dat onbekend is maar dat volgens hen wel de moeite waard is om vast te leggen. Helaas loopt het geen storm. Wel komen er een paar bewoners van de beschermde woonvorm Pameijer op bezoek. En zij vertellen een paar mooie verhalen.

Kralingen
Karel is in de jaren zestig opgegroeid aan de Kortekade. Zijn moeder werkte in een hoedenatelier in het chique deel van Kralingen, de Avenue of de Voorschoterlaan. In die tijd droegen dames daar nog hoeden. De Kortekade was een gewone arbeidersstraat, waar de melkboer en de kolenboer aan huis kwamen en de huur en het ziekenfonds aan de deur werd opgehaald. Toch was het wennen toen hij later naar Crooswijk verhuisde. Kinderen vloekten daar. In Kralingen riepen moeders: ‘Gertjan, eten! ’ als hun zoon thuis moest komen. In Crooswijk schreeuwden ze over straat: ‘Vreten, als je nou niet binnenkomt!’

Natuur in de stad
Wil heeft een rotjeugd gehad in Bospolder. Toch vertelt ze met plezier over het bloemenjasje dat ze droeg als ze uitging met haar zus. Het zat vol met speldjes van bands zoals Led Zeppelin en Status Quo, waar ze in de jaren zeventig fan van was. Hoewel ze opgroeide in de stad, bewaart ze haar beste herinneringen aan spelen in de natuur. Lieveheersbeestjes zoeken in de tuin van de Eloutschool aan de ’s Gravendijkwal. Die deed ze in een potje en liet ze later vrij. Kikkers en kikkervisjes vangen bij de Overschiese Kleiweg. Daar ging ze ook wel kijken naar het hondenrennen op ’t Zwarte Pad. Of ze fietste de stad uit, naar Delft: ‘De stad was altijd te druk. Dat vond ik als kind al.’

Moord in Zuidwijk
Aad kan maar aan een verhaal denken als ik hem ernaar vraag: de moord op het Brekelsveld. In 1963 was hij acht jaar en woonde hij in Zuidwijk, waar iedereen elkaar kende. Op een dag moest hij een doosje Willem II gaan halen bij de sigarenwinkel. Daar was een vreemde man in de winkel, die zei: ‘Zo, ben je boodschappen aan het doen?’ De nacht erop werd de eigenaresse van de winkel vermoord, met een van haar zoontjes. Hij vertelde thuis wel over de vreemdeling, maar daar zeiden ze: laat gaan. Als kind doe je dat dan. Maar ondertussen vraagt hij zich nog steeds af of het niet beter was geweest als hij met commissaris Blauw was gaan praten. De moord is nooit opgelost.

Vraag en aanbod
Even later komt de Rotterdamse evangelist Maasbach ter sprake, die een tijdlang veel invloed had. Wil herinnert zich zijn advertenties in de krant en heeft wel eens een bijeenkomst bezocht. Aad is ooit bekeerd via een een jeugdevangelisatiegroep. Later in zijn leven maakte hij zoveel tegenslag mee dat hij het geloof heeft opgegeven.
Zo levert een middagje bij Dare to Care toch een aantal mooie onderwerpen op. Wel is het de vraag hoe al die verhalen kunnen worden vastgelegd. Is het niet een idee om de website van Rotterdam Vertelt ook een soort markplaats te laten zijn waar vraag (ik wil een interview maken, ik zoek een verhaal over een bepaald onderwerp) en aanbod (ik heb een persoonlijk verhaal over de Rotterdamse geschiedenis) bij elkaar kunnen komen?

zondag 14 april 2013

Excelsior, vakantiehuis voor arbeiders

In mijn jeugd woonde ik op Ameland. Een aantal gebouwen leek onlosmakelijk verbonden met het eiland: de vuurtoren, de losstaande kerktoren in Nes en vakantiehuis Excelsior. Excelsior lag in de duinen ten zuiden van camping Duinoord. Het was een laag en langgerekt houten gebouw met kleine raampjes en een rieten dak dat harmonieerde met de omringende duinen.
Excelsior hoorde niet alleen bij ons eilander leven in de jaren zeventig en tachtig, al veel eerder hoorde het bij het leven van mijn socialistische grootouders die woonden in de buurt van Leeuwarden.

Niet om het gewin, maar voor het gezin
De geschiedenis van Excelsior dateert van 1898. Dan begint een groep SDAP-ers uit Leeuwarden onder de naam Coöperatieve Productie en Verbruikersvereniging Excelsior een bakkerij aan het Vliet. De bakkerij levert brood aan aangesloten winkels in de stad. Het wordt een succes. De klanten kunnen bonnetjes sparen waarmee ze recht op dividend hebben.
‘Niet om het gewin, maar voor het gezin’ is de slagzin van de coöperatie. Excelsior is Latijn voor ‘steeds hoger’.
Al snel breidt Excelsior haar assortiment uit met onder meer groenten, fruit, zuivel, brandstof, kleding en schoenen. Op het hoogtepunt van haar bestaan bevoorraadt de coöperatie zeventig winkels.
De coöperatie belandt in de jaren zestig in een neergaande lijn, de besluitvorming is te traag en de winkels kunnen niet concurreren met de supermarkten. In 1973 stopt de coöperatie en worden de winkels verkocht aan supermarktketen Edah.

Vakantiehuis
De coöperatie laat in 1926 een eigen vakantiehuis bouwen op Ameland, Excelsior. Hier kunnen de kinderen van leden van de coöperatie hun vakantie doorbrengen. Het is zo’n succes dat het drie jaar later uitgebreid kan worden met een hotel/pensiongedeelte dat is bestemd voor arbeidersgezinnen en vrouwengroepen.
De ouders van mijn moeder waren lid van de SDAP. In hun fotoalbum vind ik kiekjes van uitstapjes naar Ameland en dit groepsportret. Het is onmiskenbaar een vrouwengroep, maar het opschrift van het bord dat een paar vrouwen op de eerste rij vasthouden, kan ik niet lezen.

In 1978 gaat de coöperatie failliet en wordt vakantiehuis Excelsior verkocht. In 1992 wordt het afgebroken.

Waar is Excelsior gebleven?
Met Pasen ben ik een paar dagen op Ameland. Ons huisje staat niet ver van de plek waar ooit Excelsior stond en ik neem een kijkje. Herinnert er hier nog iets aan dit stukje sociale geschiedenis? Vanaf camping Duinoord wandel ik in zuidelijke richting en stuit op appartementencomplex Ostrea, een blokkendoos die net zo goed aan de Costa del Sol had kunnen staan. Het enige wat over is van het socialistische vakantiehuis is het weggetje van rode klinkers dat het vakantiehuis ooit verbond met de Strandweg: de Excelsiorstraat.

Als ik mijn zus vertel hoe jammer ik het vind dat alles is verdwenen, zegt ze: “Het woonhuis van Excelsior bestaat nog, het staat in de polder.” Op tweede paasdag rijden we ter hoogte van de Ballumerbocht de polder in. En daar staat inderdaad een huis dat sprekend lijkt op het oude Excelsior.
Later vind ik op internet dat het huis in 1993 is gekocht door de Ballumer Piet Nobel. Hij heeft het destijds over het strand laten vervoeren van Nes naar de parkeerplaats bij de strandovergang van Ballum, waar het een tijdje heeft gestaan in afwachting van de juiste vergunningen. Het is nu een vakantiehuis voor acht personen, een houten huis met witte kozijnen. Het dak is niet bedekt met riet, maar met gewone dakpannen.
Op Youtube staat een filmpje van het vervoer van het huis van het strand naar de polder.

zondag 17 maart 2013

De verhalen van een landschap

Tim Robinson bracht West-Ierland in kaart

Ieder landschap is verbonden met de geschiedenis van zijn bewoners. De mensen gaven namen aan de nederzettingen die ze vormden, aan de paden die hun dorpen met andere dorpen verbond, aan de rivieren en de meren, aan de plek waar hun vee graasde, aan de heuvel waar ze de galg oprichtten. Het landschap is nauw verbonden met al deze verhalen. Een schrijver en cartograaf die het op zich heeft genomen alle verhalen over het landschap uit zijn omgeving minutieus te verzamelen is de Engelse schrijver Tim Robinson (1935) die in 1972 van Londen verhuisde naar een van de Aran Eilanden aan de Ierse westkust.


Roundstone
In de eerste week van maart verbleef ik een week met een groep schrijfcursisten in Letterdyfe House in het Ierse dorpje Roundstone, in het district Connemara. Organisator van de schrijfreis en mede-schrijfdocent Henk Weltevreden had een ontmoeting gearrangeerd met Tim Robinson die sinds 1984 met zijn vrouw Mairead in een geel huis in Roundstone woont, direct aan de baai. Robinson vertelde ons over zijn werk en maakte met ons een wandeling over het eiland Inishnee in Roundstone Bay.

Aran-eilanden
Tim Robinson (1935) studeerde wiskunde in Cambridge en doceerde dit vak in Istanbul, Wenen en Londen. Toen hij in 1972 verhuisde naar de Aran-eilanden dacht hij hier de rust te vinden om een roman te schrijven. Maar in plaats van rustig aan een bureau te gaan zitten schrijven, maakte hij iedere dag lange wandelingen over het eiland. Na een paar weken vroeg de eigenaresse van het plaatselijke postkantoor hem of hij niet een kaart van het eiland kon maken. En met die vraag vond Tim Robinson zijn bestemming. Hij bracht de Aran-eilanden minutieus in kaart en ging op zoek naar de herkomst van de namen van iedere plek. De verhalen kregen een plaats in het boek ‘Stones of Aran’ dat uit twee delen bestaat: ‘Pilgrimage’(1986) en ‘Labyrinth’ (1995). Het is het Nederlands vertaald als ‘De Aran-eilanden’.
Nadat hij de Aran Islands in kaart had gebracht, verhuisde Tim Robinson naar Roundstone en ging op dezelfde manier aan de slag met Connemara en The Burren. Over Connemara schreef hij drie boeken, waarvan het eerste in het Nederlands is vertaald door Gerrit-Jan Zwier als ‘Connemara. Luisterend naar de wind’.


Mistflarden
In ‘Connemara. Luisterend naar de wind’ neemt Robinson ons mee op zijn wandelingen rondom Roundstone. Hij vertelt over de melkwei die vroeger hoog op de heuvel lag, waar het vee ’s zomers naartoe werd gebracht en waar ’s avonds werd gedanst. Hij vertelt over de plekken waar jongens en meisjes elkaar stiekem ontmoeten, hij vertelt over de graven uit de hongertijd. De informatie heeft hij verzameld door alle ouderen in de omgeving te bevragen naar de verhalen en liederen die zij weer van hun ouders hebben gehoord. Zelf schrijft hij: ‘De overleveringen over het veen die ik van mensen in Roundstone hoor, […] bestaan uit verhalen die als mistflarden over Roundstone Bog heen drijven, die zich nu eens vermengen en daardoor niet duidelijk te zien zijn, zich dan weer een poosje oplossen in de ijle lucht en dan als uit het niets weer zichtbaar worden.’

Meelopen
‘Connemara. Luisterend naar de wind’ is niet een boek dat je in één ruk uitleest. Het liefst zou je met Robinson meelopen over de oude paden rondom Roundstone en met hem meekijken en luisteren naar de verhalen. In de poëtische documentaire ‘Tim Robinson: Connemara’ die filmmaker Pat Collins met en over Robinson maakte, doen we dat en verwonderen we ons samen met hem over de sprookjesachtige schoonheid van West-Ierland.

Je zou willen dat iedere regio zijn eigen Tim Robinson heeft die geduldig het landschap verkent en alle verhalen die hier ooit zijn verteld verzamelt en ze vervolgens zorgvuldig opschrijft. Omdat, zoals Cees Nooteboom schrijft op de achterkant van het boek, ‘hij daardoor de vergankelijkheid van tenminste één plek op aarde heeft opgeheven.’

Informatie: Folding Landscapes

maandag 17 december 2012

‘Atlas Kralingen’ – wegdromen bij historische kaarten

Mijn zoon van zestien legt zijn geschiedenisboek voor me neer. ‘Kijk eens naar deze kaart’, zegt hij. Samen bestuderen we de wereldkaart van Johannes de Armsheim uit 1482. Europa is herkenbaar, evenals het Midden-Oosten. Van Afrika is alleen het noordelijke deel in kaart gebracht en Amerika en Australië bestaan nog niet. Op papier zag de wereld er toen heel anders uit dan nu.

De Oude Dijk
Oude kaarten zijn fascinerend, ik kan er niet genoeg van krijgen. En oude kaarten van mijn eigen woonomgeving zijn helemaal het summum. Daarom ben ik erg blij met ‘Atlas Kralingen, 2,5 km geschiedenis’, van de hand van de Kralinger schrijver/zanger Arie van de Krogt. Het boek is lekker groot - ongeveer hetzelfde formaat als mijn Kleine Bosatlas uit 1969 - zodat de kaarten die Van der Krogt heeft verzameld goed tot hun recht komen. Aan de hand van historische kaarten volgt Van der Krogt het veranderingsproces van Kralingen, de wijk aan de oostkant van Rotterdam waar ik nu vier jaar woon.
Op de kaart uit 1100 zien we de Oude Dijk al. Vanaf deze dijk, die nog steeds de belangrijkste doorgaande weg is van Kralingen, werd het moeras tussen de Maas en de Rotte ontgonnen. In de achttiende eeuw moet het dorp verhuizen. Het land rondom is afgegraven voor turf en de plassen maken het dorp onbereikbaar en zorgen voor een voortdurende dreiging. Kralingen schuift dichter naar Rotterdam toe en begint opnieuw op de plek waar nu de Hoflaankerk staat. Het oude kerkhof van het dorp blijft waar het is en ligt tegenwoordig midden in de nieuwbouwwijk Prinsenland.
In 1895 verliest de gemeente Kralingen haar zelfstandigheid en wordt geannexeerd door Rotterdam.

Witte plekken
Van der Krogt heeft de geschiedenis van Kralingen verdeeld in zeven periodes. Van iedere periode is een kaart van het begin en een van het einde opgenomen. Ons huis is gebouwd in 1913. Op de kaart uit 1895 waarmee het vijfde hoofdstuk begint, bestaat onze straat, de Vredehofweg, dus nog niet. De Korte Kade, hier om de hoek, heeft wel een lange geschiedenis, de straat staat al op een kaart uit 1611.
De Vredehofweg staat wel op de kaart uit 1941 waarmee het zesde hoofdstuk begint. Schuin tegenover ons huis, waar nu een school en een gymlokaal staan, is dan nog een gemeentekwekerij. Maar het meest opvallend op deze kaart zijn de grote witte plekken. De eerste bommen van 14 mei 1940 vielen op Kralingen en verwoestten bijna een kwart van de wijk. Straten verdwenen en kwamen niet meer terug. Wie nu op de Gerdesiaweg staat en zich met een kaart van voor 1940 probeert te oriënteren, zal geen aanknopingspunten vinden.

Nog aantrekkelijker
Naast prachtige historische kaarten bevat het boek vele prenten, schilderijen en foto’s en wordt ieder hoofdstuk verluchtigd met een gedicht of lied uit de betreffende periode. Het laatste hoofdstuk sluit af met het lied ‘Vlinderbuurt’ van Van der Krogt zelf. In het slothoofdstuk ‘Kom op Kralingen!’ fantaseert Van der Krogt erover hoe Kralingen nog aantrekkelijker kan worden. Hij laat zich hierbij inspireren door de geschiedenis van het gebied en door andere steden. Waarom geen molengang van acht molens langs de Gordelweg? Waarom geen Hollands landschap à la Reeuwijk bij de Gerdesiaweg? En waarom geen wandelpromenade langs de Maas, met heerlijke terrasjes zoals in Berlijn of Buenos Aires?

‘Atlas Kralingen’ is een boek om vaak door te bladeren, om steeds weer nieuwe dingen te ontdekken op de kaarten en om bij weg te dromen en te fantaseren over het Kralingen van vroeger en het Kralingen van de toekomst.

vrijdag 9 november 2012

Jan Drenthe

Vorige maand maakte ik samen met Albert Haar een interview met Jan Drenthe van het Tractor en Werktuigenmuseum in Valthermond. Het museum komt voort uit het bedrijf dat Jan Drenthe hier tot 1980 runde, samen met zijn vrouw Jo. De verhalen van Jan Drenthe zijn nu op film opgenomen. Binnenkort zal in het museum te zien zijn hoe de collectie tot stand is gekomen en waarom het zo’n mooie illustratie is van de naoorlogse ontwikkelingen in de landbouw. Tijdens het Drents Museumcongres op 19 november in Roden wordt de website www.museaindrenthe.nl gelanceerd, met daarop ook het museum van Jan Drenthe.

Smederij

Jan Drenthe werd in 1926 geboren in Ter Apel. Twee jaar later verhuisde hij naar Valthermond, waar zijn vader een kleine smederij begon. In 1939 werd Jan van school gehaald omdat hij zijn vader moest helpen: “Mijn broers mochten leren, maar ik was de handigste dunkt mij en moest mijn vader helpen.”
In 1951 verhuisde het bedrijf naar de plek waar het museum nu is. Achter het huis is een grote loods waar alle tractoren staan opgesteld. In de schuur daarnaast zit de smederij.
Jan’s vader maakte daar eenscharige ploegen, vertelt Drenthe: “Daar had hij een dag voor nodig. Hij begon ‘s ochtends om een uur of zes en was tegen de avond klaar. Over een tweescharige ploeg deed hij anderhalve dag. Mijn moeder verfde ze later op. In het begin hebben we ook nog wel paarden beslagen, maar rond 1960 was dat echt afgelopen.

Marshallhulp
Dat had alles te maken met de landbouwmechanisatie. Voor de oorlog had een boer met twintig hectare grond twee of drie arbeiders in dienst..Na de oorlog was dat al snel niet meer op te brengen doordat de lonen razendsnel stegen. Bovendien werd er in 1951 met steun van de Marshallhulp een borgstellingsfonds opgericht, als stimulans voor boeren die zelf onvoldoende middelen hadden om te investeren.
Er werden duizenden trekkers ingevoerd, het meest Amerikaanse, zegt Drenthe: “Wij kochten en verkochten onze eerste tractor in 1947.Dat was nog een heel gedoe, omdat we daarvoor een vergunning nodig hadden. Een bureauhouder, meestal een grote boer die actief was voor de gemeenschap, beoordeelde of je voor een tractor in aanmerking kwam. Zelf had hij er natuurlijk als eerste in Valthermond een. Wij gaven ons op als loonwerker en toen kregen wij er ook een, een Farmall voor 2600 gulden. We hebben die vrij snel doorverkocht. Dat mocht eigenlijk niet, maar we konden ‘m nauwelijks betalen. Het was het begin van de handel. In tien jaar tijd hadden alle boeren in Valthermond een tractor.

McCormick tractoren
“Achter die allereerste tractoren”, vervolgt hij, “kwam gewoon een paardenwerktuig. In het begin zag je zelfs dat een dat een boer achter de ploeg bleef lopen, zoals je dat ook bij een paard doet. Tractoren werden alleen gebruikt om te trekken. Pas veel later kregen tractoren ook een hydraulische hefinrichting, waardoor de werktuigen er echt aan gekoppeld konden worden.”
In Amerika was de mechanisatie al ver voor de oorlog op gang gekomen . Een grote producent als McCormick liep daardoor ook voorop in de vormgeving van de tractoren. Het bedrijf werkte samen met Raymond Loewy, een belangrijke ontwerper die ook verantwoordelijk was voor de vormgeving van de merken Coca Cola en Lucky Strike. Door Loewy werden na 1938 alle McCormicktractoren in dezelfde kleur rood geleverd.

Graan en aardappelen
In een tweede loods staan de landbouwwerktuigen opgesteld. Een van de mooiste machines is de Osbourne Reaper, een graanmaaier die al aan het einde van de negentiende eeuw in Amerika gebruikt werd. De grootste is een combine uit 1959, een van de eerste machines die het graan kon maaien en kon dorsen. Aan de zijkant is goed te zien hoe het ding in elkaar zit, wat natuurlijk levensgevaarlijk was.
Jan Drenthe: “Onvoorstelbaar dat het zo kon, zo open en bloot. Zo’n machine smeren, dat deden ze gewoon terwijl die draaide. Er zijn zoveel ongelukken mee gebeurd. Regelmatig verloren mensen hun handen of werden er vingers afgesneden.”
Verderop staan de werktuigen die gebruikt werden bij de aardappeloogst. Het zijn slimme machines die met kleine aanpassingen tijdens alle fasen van de aardappelteelt ingezet konden worden. Aardappelrooimachines hebben ervoor gezorgd dat vrouwen niet meer nodig waren op het land. Jan Drenthe: “Vroeger werkte het hele gezin op het land, op een rij, de kleinste kinderen het dichtst bij hun moeder. Dat is gelukkig afgelopen.”

Restauratie
In 1980 stopte Jan Drenthe met zijn bedrijf. Hij begon tractoren en landbouwwerktuigen te verzamelen, samen met zijn zoon Arend.
“In de vakanties deden we aardappelen en brood in de kofferbak en zo gingen we op strooptocht in Frankrijk. Daar zag je die dingen overal langs de weg staan. Als een trekker ingeruild is, zit er geen zitting meer in, de lampen zijn eraf, de motorkap is los. Al die dingen kun je als onderdelen gebruiken. Ik ben smid, ik kan wat lassen, spuiten, uitdeuken, schuren, plamuren… Zo’n trekkertje, daar gaf ik niks voor, maar we hebben er wel voor 5000 dollar aan onderdelen bij moeten kopen. Bovendien zit er meer dan 500 uur in. Maar het ding doet het wel weer.”

Tractor en werktuigenmuseum Jan Drenthe